ECLI:NL:GHARL:2023:911

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 januari 2023
Publicatiedatum
1 februari 2023
Zaaknummer
21/01039
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 1 GrondwetBesluit proceskosten bestuursrechtArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake proceskostenvergoeding bij WOZ-waarde en OZB-aanslag

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn onroerende zaak en de daarbij opgelegde OZB-aanslag voor het jaar 2020. De rechtbank Overijssel had het beroep gegrond verklaard en de waarde verlaagd, maar wees de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase af.

In hoger beroep stond alleen de vraag centraal of belanghebbende recht had op vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar had moeten maken. Het hof oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase had geweigerd, gelet op het tijdig ingediende verzoek en het oordeel van de rechtbank dat de heffingsambtenaar kennelijk had berust.

Het hof stelde de totale proceskostenvergoeding vast op € 2.691,50, inclusief kosten voor bezwaar, beroep en hoger beroep, en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van het betaalde griffierecht voor het hoger beroep. Tevens wees het hof op het discriminatieverbod van artikel 1 Grondwet Pro met betrekking tot het onderscheid in proceskostenvergoedingen in het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Uitkomst: Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten voor bezwaar, beroep en hoger beroep, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Locatie Arnhem
nummer BK-ARN 21/01039
uitspraakdatum:
26 januari 2023

Uitspraak van de eerste enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank) van 22 juli 2021, nummer Awb 20/2536 in het geding tussen belanghebbende en
de
heffingsambtenaarvan de
gemeente Steenwijkerland(hierna: de heffingsambtenaar)
betreffende de ten aanzien van belanghebbende bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde van de onroerende zaak [adres1] 140 te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) voor het jaar 2020 en de daarbij aan belanghebbende opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelasting (OZB).
Het onderzoek ter zitting van het Hof heeft plaatsgevonden te Arnhem op 26 januari 2023. Namens belanghebbende is verschenen [naam1] . Namens de heffingsambtenaar is – met bericht – niemand verschenen.

Beoordeling van het geschil

1. Bij beschikking van 31 maart 2020 heeft de heffingsambtenaar ten aanzien van belanghebbende de waarde van de onroerende zaak op waardepeildatum 1 januari 2019 voor het jaar 2020 vastgesteld op € 272.000 en aan belanghebbende een aanslag OZB opgelegd ten bedrage van € 266,83.
2. [naam2] heeft namens belanghebbende tegen de beschikking en de aanslag bezwaar gemaakt. Belanghebbende heeft daarin verzocht om toekenning van een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase.
3. Op 30 juli 2020 heeft in dat verband een hoorzitting plaats gehad. De heffingsambtenaar heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken de bezwaren afgewezen.
4. De rechtbank heeft het tegen de uitspraken op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de vastgestelde waarde van de onroerende zaak verminderd tot € 240.000, de heffingsambtenaar gelast aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te vergoeden, en de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende voor wat betreft de procedure bij de Rechtbank.
5. In hoger beroep is nog slechts in geschil of belanghebbende recht heeft op vergoeding van de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken.
6. De Rechtbank heeft – voor zover hier van belang – over het geschil overwogen:
“Blijkens de uitspraak op bezwaar heeft eiser ook in bezwaar aangevoerd dat het deel van het voormalige huisnummer 138 volledig is gestript, leeg staat en pas over vijf jaar kan worden bewoond. In de uitspraak op bezwaar wordt deze staat van dit deel van de woning niet betwist, maar gesteld dat hiermee bij de waardering voldoende rekening is gehouden. De wijze waarop hiermee rekening is gehouden blijkt echter niet. In het in beroep door verweerder overgelegde taxatierapport wordt hiermee evenmin rekening gehouden. De onderhoudssituatie, mate van luxe en doelmatigheid en kwaliteit/conditie is in dit rapport voor liet gehele pand als voldoende beoordeeld, daarbij verwijzende naar foto's van het exterieur van de onroerende zaak. Van een inpandige opname is vanwege de coronasituatie geen sprake geweest en een door eiser ingevuld en aan verweerder verzonden inlichtingenformulier, maakt geen deel uit van het taxatierapport of het dossier. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat met de staat van de woning voldoende rekening is gehouden en de waarde van € 272.000 niet te hoog is.”
7. Belanghebbende heeft tijdig het in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde verzoek gedaan. Hij heeft dat verzoek herhaald in het beroepschrift bij de Rechtbank. Gezien het oordeel van de Rechtbank – waarin de heffingsambtenaar kennelijk heeft berust – en de daartoe gebezigde gronden komt belanghebbende in aanmerking voor de bedoelde vergoeding. De Rechtbank heeft ten onrechte niet dienovereenkomstig beslist. Mitsdien is het hoger beroep gegrond.
8. In hoger beroep is nog slechts in geschil of belanghebbende recht heeft op vergoeding van de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken. Het Hof zal daarom, nu in zoverre sprake is van een kennelijke misslag van de Rechtbank, bij de vaststelling van de vergoeding voor de proceskosten in hoger beroep uitgaan van een wegingsfactor van 0,25.

Proceskosten

9. Nu het hoger beroep gegrond is acht het Hof termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling van de heffingsambtenaar.
10. Bij besluit van 12 december 2022, nr. 4343031 (Stcrt. nr. 34448) heeft de Minister voor Rechtsbescherming de bedragen vermeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) gewijzigd. Op grond van het aangepaste Bpb dient het Hof de procesvergoeding in het onderhavige geval vast te stellen op basis van de voor 2023 geldende tarieven. Daarbij wordt – evenals in het vanaf 1 juli 2021 en voor het jaar 2022 geldende Bpb -– onderscheid gemaakt naar gelang sprake is van – kort gezegd – Bpm/WOZ procedures enerzijds en overige procedures anderzijds. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 mei 2022, nr. 21/02977, ECLI:NL:HR:2022:752, geoordeeld dat dat onderscheid in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 1 van Pro de Grondwet, omdat geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor het gemaakte verschil in behandeling. Zulks heeft naar het oordeel van het Hof ook te gelden voor het in de per 1 januari 2023 van kracht zijnde Bpb gemaakte onderscheid.
11. Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken overeenkomstig het Bpb vast op € 599 voor de kosten in de bezwaarfase (2 punten voor het bezwaarschrift en de hoorzitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 296 en € 7 kadasterkosten), € 1.674 voor de kosten in beroep bij de Rechtbank (2 punten voor het beroepschrift en bijwonen van de zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 837) en € 418,50 voor de kosten in hoger beroep (2 punten voor het hogerberoepschrift en bijwonen van de zitting, wegingsfactor 0,25, waarde per punt € 837), ofwel in totaal op € 2.691,50.

Beslissing

Het Hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover het de proceskostenvergoeding betreft;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten voor het bezwaar, beroep en hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.691,50, en
  • gelast dat de heffingsambtenaar het voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 134 aan belanghebbende vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.J.M. van Kempen, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2023.
De griffier, De raadsheer,
(E.D. Postema) (M.G.J.M. van Kempen)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 01 februari 2023
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.