Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland over kinderalimentatie voor de minderjarige geboren in 2006. De man betwistte zijn draagkracht en verzocht de kinderalimentatie op nihil of een lager bedrag te stellen. De vrouw vorderde handhaving van de alimentatie en stelde dat de man voldoende draagkracht heeft, mede gezien een ontvangen erfenis en arbeidsmogelijkheden.
Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat de man een aanzienlijke erfenis had ontvangen, wat een wijziging van omstandigheden vormt. De rechtbank had de alimentatie vastgesteld op € 772,45 per maand vanaf 20 januari 2022. De man stelde dat hij door hernia-operaties en weinig werk niet in staat was deze bijdrage te betalen, terwijl de vrouw dit betwistte en stelde dat hij een fictief inkomen moet worden toegerekend.
Het hof oordeelde dat de man onvoldoende had onderbouwd dat hij geen draagkracht heeft. Zijn eerdere winst uit onderneming en het ontbreken van bewijs dat zijn medische situatie zijn arbeidsvermogen beperkt, waren doorslaggevend. De vrouw ontving een WIA-uitkering en had een beperkte draagkracht van € 50,- per maand, verdeeld over haar drie kinderen. Het hof stelde de bijdrage van de man vast op € 756,13 per maand vanaf 20 januari 2022, oplopend naar € 781,84 in 2023, rekening houdend met de draagkracht van beide ouders.
Het hof wees het verzoek van de man tot terugbetaling van te veel betaalde alimentatie af omdat dit een zelfstandig tegenverzoek betreft dat niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan. De proceskosten werden gecompenseerd vanwege de aard van de procedure. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en in zoverre opnieuw vastgesteld.
Uitkomst: De man moet vanaf 20 januari 2022 € 756,13 per maand kinderalimentatie betalen, oplopend naar € 781,84 per maand vanaf 1 januari 2023.