De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 100,- voor: "een voertuig op of binnen 5 meter van een oversteekplaats laten stilstaan". Deze gedraging zou zijn verricht op 25 mei 2021 om 17.07 uur op de Burgemeester Jamessingel in Gouda met het voertuig met het kenteken [kenteken] . De vermeende gedraging is door de ambtenaar, een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) in het domein openbare ruimte, geconstateerd via live cameratoezicht.
2. In geschil is of er sprake is van digitaal handhaven in de zin van de Regeling domeinlijsten boa (hierna Regeling). Het hof zal eerst ingaan op het betoog van de gemachtigde dat inhoudt dat in deze zaak niet kan worden uitgegaan van de in die Regeling gegeven definitie.
3. Naar aanleiding van het tussenarrest van het hof van 3 maart 2023 heeft de advocaat-generaal nadere stukken overgelegd. Het betreft hier de nota "Definitie digitaal handhaven in de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar" van 23 maart 2023, alsmede een "Parafenlijst: Regeling domeinlijsten BOA's".
4. In deze nota wordt de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna Minister) gevraagd in te stemmen met de voorgestelde definitie van digitaal handhaven. Deze definitie komt overeen met de definitie zoals weergegeven in het arrest van het hof van 18 januari 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:265), te weten "het op automatische wijze vaststellen van gedragingen waarbij de voorselectie volledig autonoom plaatsvindt (door een camera) en waarbij een boa op een later moment deze beelden beoordeelt en besluit om een zaak wel of niet door te zetten". De instemming van de Minister zou blijkens de parafenlijst zijn gegeven op 30 maart 2023.
5. De gemachtigde van de betrokkene bestrijdt allereerst dat de Minister een paraaf heeft gezet nu deze niet kan blijken uit de bijgevoegde parafenlijst. Het hof verwerpt dit verweer. De bijgevoegde parafenlijst bevat weliswaar niet de werkelijke paraaf van de Minister maar documenteert op afdoende wijze dat de Minister de nota ter goedkeuring heeft geparafeerd. Anders dan de gemachtigde ziet het hof geen aanleiding om daaraan te twijfelen.
6. De gemachtigde heeft daarnaast aangevoerd dat moet worden vastgesteld dat de Minister pas op 30 maart 2023 heeft ingestemd met de voorgestelde definitie en dat voor deze datum er kennelijk geen akkoord van de Minister was. Dat betekent, aldus de gemachtigde, dat sancties die zijn opgelegd voor 30 maart 2023 niet onder deze definitie vallen.
7. Zoals het hof in zijn tussenarrest van 3 maart 2023, evenals in voornoemd arrest van 18 januari 2022, heeft overwogen is voor de vraag of een boa bevoegd is om digitaal te handhaven als bedoeld in de Bijlage bij de Regeling, van belang om vast te stellen wat onder digitaal handhaven dient te worden verstaan. Nu de Minister bevoegd is om de omvang van die bevoegdheid van een boa vast te stellen, is het standpunt van de Minister daarover van belang.
8. In het arrest van 18 januari 2022 heeft het hof de inhoud van het begrip "digitaal handhaven" vastgesteld aan de hand van de door de advocaat-generaal overgelegde informatie van de afdeling Beleid & Strategie van het Parket CVOM, waarbij - nu zulks niet werd betwist - is aangenomen dat daarmee het standpunt van de Minister daarover was weergegeven. Het hof ziet in de in deze zaak overgelegde, en ter goedkeuring door de Minister geparafeerde, nota van 23 maart 2023 een bevestiging van de juistheid van deze aanname. Deze nota dwingt, anders dan kennelijk de gemachtigde beoogt, niet tot de conclusie dat door de Minister voor 23 maart 2023 geen of een andere inhoud aan het begrip digitaal handhaven was gegeven. Alhoewel verwarrend, betekent de enkele omstandigheid dat de Minister in deze nota wordt verzocht met de in de nota gestelde definitie in te stemmen niet dat daarmee sprake is van een gewijzigd inzicht op dat punt. Uit de in de nota gegeven toelichting volgt dat bij gebreke van een in de Regeling gegeven definitie van het begrip digitaal handhaven het openbaar ministerie - zoals ook eerder kon blijken uit de informatie van de afdeling Beleid & Strategie - een nadere inhoud daarvan heeft aangedragen, met welke inhoud de Minister zich expliciet verenigt.
9. De gemachtigde heeft verder aangevoerd dat de Minister niet tot deze definitie mocht komen. Hij heeft in dit verband gewezen op de inhoud van het begrip digitaal handhaven zoals dat blijkens de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, het Wetboek van strafvordering en de Gemeentewet in verband met de digitalisering van de handhaving van veel voorkomende overtredingen al in 2012 was voorzien. Onder digitaal handhaven werd verstaan het handhaven met behulp van een handcomputer (Personal Digital Assistent), zonder dat aan de betrokkene een papieren bon wordt verstrekt. Alleen al het doorvoeren van een sanctie in een handcomputer, terwijl de ambtenaar aanwezig was, werd al gezien als digitaal handhaven.
10. Het hof volgt de gemachtigde niet in deze redenering. Alhoewel in de door de gemachtigde aangehaalde Memorie van Toelichting wordt gesproken over digitaal handhaven is, gelet op de definitie die daarvan werd gegeven, de betekenis van die term in redelijkheid niet op één lijn te stellen met de hantering van deze term in de Regeling. Deze wetswijziging is veeleer ingegeven door de mogelijkheid om na het vaststellen van een verkeersgedraging sancties digitaal te verwerken met behulp van een handcomputer, hetgeen moet wordt onderscheiden van de vraag op welke wijze en met behulp van welke digitale middelen de ambtenaar de verkeersgedraging mag vaststellen. De in 2012 gegeven definitie is daarmee niet bepalend voor de ruimte die de Minister heeft om inhoud te geven aan het begrip digitaal handhaven in de Regeling.
11. Het bovenstaande in ogenschouw genomen, ziet het hof in het betoog van de gemachtigde geen aanleiding om tot een andere definitie te komen dan zoals weergegeven in het arrest van 18 januari 2022. Uitgaande van die definitie, komt het hof tot het oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een autonome voorselectie waarbij een ambtenaar op een later moment de foto’s beoordeelt, maar nam de ambtenaar op het moment zelf de beelden waar en stelde ook op dat moment zelf de gedraging vast.
12. De Regeling bepaalt verder dat een boa in het domein openbare ruimte bevoegd is om te handhaven op - onder meer - overtreding van de bepalingen uit het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) voor zover het stilstaand verkeer betreft. In deze zaak betreft de vermeende gedraging een overtreding van artikel 23, eerste lid, onder c van het RVV 1990. De ambtenaar was binnen de Regeling dan ook bevoegd voor deze gedraging een sanctie op te leggen. Nu de gedraging verder niet wordt betwist, kan worden vastgesteld dat deze is verricht.
13. Het hof volgt tot slot niet de stelling van de gemachtigde dat de gerezen onduidelijkheid over de definitie van digitaal handhaven - wat daar overigens ook van zij - er toe dient te leiden dat in redelijkheid geen sanctie kan worden opgelegd. Niet valt in te zien, zoals de gemachtigde stelt, dat (eventuele) twijfel over de inhoud van cruciale definities die al dan niet tot een sanctie kunnen leiden, in het voordeel van de burger moet worden uitgelegd.
14. Gelet op het bovenstaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding is er niet.