Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
1.De verdere procedure bij het hof
2.Waar gaat deze zaak over?
— uitvoerbaar bij voorraad:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een geschil tussen broer en zus over de verkoop van een gezamenlijke woning na het overlijden van hun vader. Partijen waren elk voor de helft eigenaar en hadden afspraken gemaakt over de verkoop van de woning indien appellant de financiering niet rond kreeg. Appellant weigerde medewerking aan de verkoop via een aangewezen makelaar, waarop geïntimeerde een kort geding startte en een vonnis verkreeg dat appellant onder meer verplichtte tot medewerking en het betalen van dwangsommen bij niet-naleving.
Na betekening van het vonnis legde geïntimeerde executoriaal beslag voor verbeurde dwangsommen en andere zaken van appellant. Appellant vorderde vervolgens in kort geding opheffing van deze beslagen en terugbetaling van geïnde bedragen, maar zijn vorderingen werden afgewezen. In hoger beroep betoogde appellant dat hij aan zijn verplichtingen had voldaan en dat de dwangsommen onterecht waren verbeurd.
Het hof oordeelde dat appellant niet alle sleutels van de woning had ingeleverd zoals vereist, waardoor het maximum aan dwangsommen was verbeurd. Ook had appellant niet tijdig zijn roerende zaken verwijderd. Het hof vond geen sprake van misbruik van executiebevoegdheid door geïntimeerde. Het hoger beroep van appellant werd verworpen en het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd, waarbij appellant werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en het vonnis van de voorzieningenrechter wordt bekrachtigd.