ECLI:NL:GHARL:2023:9839

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 november 2023
Publicatiedatum
21 november 2023
Zaaknummer
200.331.433
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 360 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schorsing uitvoerbaarheid vervangende toestemming verhuizing minderjarige

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over hun negenjarige minderjarige zoon, die zijn hoofdverblijf bij de moeder heeft. De moeder wilde met de minderjarige verhuizen naar een andere plaats en vroeg hiervoor vervangende toestemming, die door de rechtbank Midden-Nederland werd verleend en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De vader stelde bezwaar tegen de uitvoerbaarheid en verzocht het hof om schorsing van deze beschikking. Hij voerde aan dat zijn belang bij schorsing zwaarder weegt en dat er sprake zou zijn van een nieuw feit omdat de moeder tijdelijk in een andere plaats verblijft dan de bestemming van de verhuizing.

Het hof overwoog dat schorsing alleen mogelijk is indien er nieuwe feiten zijn die na de uitspraak zijn ontstaan of als de rechtbank een kennelijke misslag heeft begaan. Hoewel de moeder tijdelijk in een andere woning verblijft, is dit slechts een overbrugging tot de oplevering van de nieuwe woning in de beoogde plaats. De moeder heeft haar oude woning opgezegd en zal binnenkort daadwerkelijk verhuizen.

Daarom ziet het hof geen reden om de uitvoerbaarheid te schorsen en wijst het verzoek van de vader af. De beschikking is uitgesproken door drie rechters op 21 november 2023.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid van de vervangende toestemming tot verhuizing af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.331.433/02
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 553273)
beschikking van 21 november 2023 op het verzoek tot schorsing
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. M.T. Kumar te Amsterdam,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats1] ,
verweerster,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E.A. van Nimwegen te Rotterdam.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 6 juli 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder ook te noemen: de bestreden beschikking).
2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met producties, ingekomen op
24 augustus 2023;
- het verweerschrift in het verzoek tot schorsing:
- een brief van mr. Kumar van 26 oktober 2023 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 6 november 2023 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] . Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] uit. [de minderjarige] is negen jaar en heeft zijn hoofdverblijf bij de moeder.
3.2
De vader en de moeder hebben een geschil over de verhuizing van de moeder met [de minderjarige] naar [plaats1] . In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de moeder vervangende toestemming verleend om met [de minderjarige] te verhuizen naar [plaats1] . De rechtbank heeft deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard en dat toegelicht.

4.De motivering van de beslissing

4.1
Aan de orde is het verzoek van de vader schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking ten aanzien van de beslissing om de moeder vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige] te verhuizen naar [plaats1] . De moeder voert hiertegen gemotiveerd verweer.
4.2
Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid Pro 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.
4.3
Het hof gaat bij de beoordeling van dit schorsingsverzoek uit van de overwegingen en beslissingen van de beschikking van de rechtbank. De kans van slagen van het hoger beroep blijft daarbij buiten beschouwing. Omdat de rechtbank een gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van de bestreden beschikking kan deze alleen worden geschorst:
i) als de verzoeker feiten en omstandigheden heeft genoemd die na de uitspraak van de rechtbank zijn gebeurd of aan het licht zijn gekomen, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken, of
ii) als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berust.
4.4
Het hof zal het schorsingsverzoek van de vader afwijzen.
De vader baseert zijn verzoek tot schorsing op de stelling dat zijn belang bij schorsing zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij de uitvoering van de bestreden beschikking. Echter voor een dergelijke belangenafweging is geen ruimte omdat de rechtbank de uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft gemotiveerd.
De vader stelt daarnaast dat sprake is van een nieuw feit op grond waarvan de beslissing van de rechtbank moet worden geschorst. De moeder is namelijk in [plaats2] gaan wonen, en niet in [plaats1] , aldus de vader.
Gebleken is dat de moeder na de bestreden beschikking met haar partner een woning in [plaats1] heeft gekocht. Zij heeft daarna haar eigen woning in [woonplaats1] per
1 november 2023 opgezegd. De woning in [plaats1] wordt echter pas op 15 december 2023 opgeleverd en een week later zal de moeder met haar partner die woning betrekken. Tot de verhuisdatum verblijven de moeder en [de minderjarige] in de woning van de partner van de moeder in [plaats2] . Daarmee is weliswaar sprake van een nieuw feit, in die zin dat de moeder nu in [plaats2] verblijft, maar het hof ziet hierin geen aanleiding om de werking van de bestreden beschikking te schorsen. De moeder gaat namelijk op korte termijn wel degelijk verhuizen naar [plaats1] en tot die tijd staat zij nog ingeschreven in de gemeente [de gemeente] . Het verblijf in [plaats2] dient slechts ter overbrugging van de periode tussen de opzegging van de woning van de moeder in [woonplaats1] en de oplevering van de woning in [plaats1] .

5.De beslissing

Het hof:
wijst het verzoek van de vader af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, M.P. den Hollander en H. Phaff en is op 21 november 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.