ECLI:NL:GHARL:2023:9840

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 november 2023
Publicatiedatum
21 november 2023
Zaaknummer
200.331.439
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging machtiging uithuisplaatsing minderjarige wegens onvoldoende draagkracht moeder

In deze zaak staat de uithuisplaatsing van een minderjarige centraal. De minderjarige woont sinds februari 2023 in een gezinshuis. De gecertificeerde instelling (GI) heeft de kinderrechter gevraagd de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen, welke tot 3 november 2023 liep. De moeder is het hier niet mee eens en gaat in hoger beroep.

Het hof toetst de rechtmatigheid van de machtiging en oordeelt dat de kinderrechter terecht de machtiging heeft verleend. De opvoeding van meerdere kinderen is zwaar voor de moeder, die ondanks haar inzet onvoldoende verbeteringen laat zien. De minderjarige heeft een sociale-angststoornis en hechtingsproblematiek, wat een verzwaarde opvoedvraag inhoudt. De moeder kan onvoldoende aansluiten bij de behoeften van het kind en biedt niet consequent de noodzakelijke grenzen en positieve aandacht.

Het hof benadrukt dat het de verantwoordelijkheid van de GI blijft om de omgang tussen moeder en kind uit te breiden en hierover in gesprek te blijven. De beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd, waarmee de uithuisplaatsing van de minderjarige wordt voortgezet.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wegens onvoldoende draagkracht van de moeder.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.331.439
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 546782)
beschikking van 21 november 2023
inzake
[verzoekster],
wonende in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M. van der Salm te Baarn,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd in Utrecht,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[de vader],
wonende in [woonplaats1] ,
verder te noemen: de vader.

1.Samenvatting van de beslissing

[de minderjarige4] is onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. Het hof vindt dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De kern van de zaak

2.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
  • [de minderjarige1] , geboren [in] 2011,
  • [de minderjarige2] , geboren [in] 2013,
  • [de minderjarige3] , geboren [in] 2014, en
  • [de minderjarige4] , geboren [in] 2016.
Op 5 oktober 2023 is de moeder bevallen van een zoon die zij samen met haar huidige partner heeft gekregen. Bij de moeder wonen [de minderjarige2] en [de minderjarige3] en ook nog twee dochters (14 jaar en 16 jaar) van de moeder die zij met een vorige partner heeft gekregen.
2.2
In deze zaak gaat het alleen over de uithuisplaatsing van [de minderjarige4] .
2.3
[de minderjarige4] woont sinds februari 2023 in gezinshuis [naam1] in [plaats1] .
2.4
De GI heeft de kinderrechter gevraagd [de minderjarige4] nog langer uit huis te mogen plaatsen. De kinderrechter heeft de GI een machtiging gegeven om [de minderjarige4] nog langer uit huis te plaatsen in een instelling. Die machtiging gold tot 3 november 2023 (beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 mei 2023).
2.5
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. De moeder wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt. De GI wil dat de beslissing in stand blijft.
2.6
Het hof heeft de volgende stukken:
  • het beroepschrift;
  • het verweerschrift van de GI;
  • een brief van de moeder.
2.7
De zitting bij het hof was op 24 oktober 2023. Aanwezig waren:
  • de moeder, met haar advocaat,
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

3.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
3.1
De GI of de raad kunnen de rechter verzoeken aan de GI een machtiging te geven kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van die kinderen of voor onderzoek van die kinderen [1] . De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken [2] .
Wat vindt het hof?
3.2
De machtiging voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige4] liep tot 3 november 2023 en is dus al verlopen. Toch moet het hof nog toetsen of de machtiging wel mocht worden gegeven.
3.3
De kinderrechter heeft terecht de machtiging aan de GI gegeven. [de minderjarige4] kon tot 3 november 2023 nog niet thuis wonen. Het hof zal de beslissing van de kinderrechter in stand laten (de beschikking wordt dus bekrachtigd). Het hof zal dat uitleggen.
3.4
In de stukken is te lezen dat de opvoeding van vier kinderen zwaar is voor de moeder. De kinderrechter heeft al geschreven dat de moeder haar best doet en dat zij meewerkt aan hulpverlening, maar dat er niet genoeg verbeteringen zijn. Het hof is het daarmee eens. In de conclusie van het eindverslag van het NIKA-traject (april 2023) is te lezen dat het gezin draaiende houden voor de moeder een grote taak is. Het hoofd van de moeder zit overvol en zij kan daardoor onvoldoende profiteren van de behandeling. NIKA heeft geconcludeerd dat verder behandelen geen zin heeft, omdat er al veel hulpverlening bij de moeder thuis wordt ingezet die is gericht op begeleiding, in plaats van op behandeling. Dat behoort voorrang te krijgen, aldus NIKA.
Het contact tussen de moeder en [de minderjarige4] gaat niet goed. Als de spanning bij de moeder oploopt, lukt het de moeder niet om zich op [de minderjarige4] te concentreren. Voor [de minderjarige4] is het juist belangrijk dat iemand hem goed begrijpt en helpt, omdat [de minderjarige4] een sociale-angststoornis heeft, gecombineerd met hechtingsproblematiek. Daardoor laat [de minderjarige4] angstig en opstandig gedrag zien.
[de minderjarige4] heeft door zijn problemen extra rust, structuur en begrenzing nodig. Het komt erop neer dat hij extra veel van zijn opvoeders vraagt (‘verzwaarde opvoedvraag’). De moeder ziet de problemen van [de minderjarige4] onvoldoende en het lukt de moeder niet om bij [de minderjarige4] aan te sluiten.
Het lukt haar niet genoeg om hem consequent de grenzen en de positieve aandacht te bieden die hij nodig heeft. De moeder vindt dat de GI haar te weinig met [de minderjarige4] bij haar thuis gezien heeft om te kunnen beoordelen of zij weer in staat is om [de minderjarige4] zelf op te voeden. Het is voor het hof duidelijk dat het niet alleen de mening van de GI is, maar ook van de deskundigen die zijn ingezet bij het IOB-traject, het NIKA-traject en de begeleide omgang.
3.5
Net als de kinderrechter benadrukt het hof dat het op de weg van de GI ligt om de mogelijkheden van uitbreiding van de omgang tussen de moeder en [de minderjarige4] te blijven onderzoeken en hierover met de moeder in gesprek te blijven.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 mei 2023.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, J.H. Lieber en E. de Boer, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 21 november 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW
2.artikel 1:265c lid 2 BW