ECLI:NL:GHARL:2023:9844

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 november 2023
Publicatiedatum
21 november 2023
Zaaknummer
Wahv 200.319.283
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 RVV 1990Art. 3, tweede lid, Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor niet dragen autogordel als bestuurder of passagier

De betrokkene werd bij beschikking gesanctioneerd met een boete van €150 wegens het niet dragen van een autogordel op 2 maart 2021 in Vaassen. Betrokkene ontkende de overtreding en stelde dat hij wel een gordel droeg. Daarnaast werd aangevoerd dat het voertuig donkere ramen had en betrokkene zwarte kleding droeg, waardoor waarneming twijfelachtig zou zijn.

De kantonrechter verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. In hoger beroep bevestigde het gerechtshof deze beslissing. Het hof oordeelde dat het niet uitmaakt of betrokkene bestuurder of passagier was; de verplichting tot het dragen van een gordel geldt voor beiden volgens artikel 59, eerste lid, RVV 1990.

De ambtenaar had verklaard dat de gordel ongebruikt langs de deurstijl hing, een verklaring die niet werd weersproken met voldoende bewijs. De enkele ontkenning van betrokkene was onvoldoende om twijfel te zaaien. Het hof verbeterde de gronden van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De boete van €150 voor het niet dragen van een autogordel wordt bevestigd, verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.319.283/01
CJIB-nummer
: 239781014
Uitspraak d.d.
: 21 november 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 4 november 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “als bestuurder of passagier geen gebruik maken van een autogordel”. Deze gedraging zou zijn verricht op 2 maart 2021 om 8.30 uur op de Laan van Fasna in Vaassen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. Namens de betrokkene wordt ontkend dat de gedraging is verricht. De betrokkene had wel een gordel om. De ambtenaar heeft niet aangegeven hoe hij heeft waargenomen dat dit niet zo was. Er moet dus nader onderzoek worden gedaan, temeer nu de betrokkene zwarte kleding droeg en het betreffende voertuig donkere ramen heeft. Ook heeft ambtenaar niet aangegeven langs welke stijl de gordel hing. Verder blijkt uit het dossier niet of het om een bestuurder of een passagier ging en ook niet wie de bestuurder ten tijde van de gedraging was. Dit is, onder verwijzing naar de arresten van het hof die zijn gepubliceerd onder ECLI:NL:GHARL:2020:5068 en ECLI:NL:GHARL:2021:9119, bij de rechtbank ook naar voren gebracht, maar de rechtbank is hieraan voorbij gegaan. De betrokkene zat met twee anderen in de auto en heeft niet zelf gereden. Hij droeg gewoon zijn gordel.
3. De gedraging betreft een overtreding van artikel 59, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Die bepaling houdt -voor zover hier van belang- in:
"Bestuurders van een personenauto, een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel en hun passagiers maken gebruik van de voor hen beschikbare autogordel."
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de gordel ongebruikt langs de deurstijl van het voertuig hing. (…)
Verklaring betrokkene: Ik heb mijn gordel omgedaan bij het wegrijden, dacht ik.”
6. Anders dan de gemachtigde ingang wil doen vinden, maakt het voor de vaststelling van de gedraging niet uit of de betrokkene zelf bestuurder was van het betreffende voertuig of dat hij passagier was. De verplichting tot het gebruiken van de autogordel rust ingevolge artikel 59, eerste lid, van het RVV 1990 immers op beiden. Wel is vereist dat de betrokkene zich bevond in een voertuig waarmee aan het verkeer werd deelgenomen, maar daarover bestaat in dit geval geen dispuut.
7. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat hij heeft gezien dat de voor de betrokkene bestemde gordel tegen de deurstijl hing. De gemachtigde heeft niets aangevoerd dat aanleiding geeft om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Dat niet is vermeld langs welke deurstijl de ambtenaar de gordel ongebruikt zag hangen, is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet van belang. De stellingen van de gemachtigde komen verder neer op de enkele ontkenning van dat wat de ambtenaar heeft verklaard en dat leidt niet tot twijfel. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
8. Met betrekking tot het bezwaar van de gemachtigde dat de kantonrechter is voorbij gegaan aan hetgeen de gemachtigde had aangevoerd, overweegt het hof dat de kantonrechter in zijn beslissing heeft geoordeeld dat de betrokkene de bestuurder van het voertuig was. Dat kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld. Nu dit, gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen, voor de vaststelling van de gedraging niet noodzakelijk is, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen met verbetering van gronden.
9. Aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding is er niet.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.