Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2023:985

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 februari 2023
Publicatiedatum
3 februari 2023
Zaaknummer
200.308.371/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 7, tweede lid, Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling proceskostenvergoeding bij telefonische hoorzitting in administratief beroep

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep van de betrokkene tegen de officier van justitie niet-ontvankelijk had verklaard. De betrokkene stelde dat de kantonrechter ten onrechte een grond in het beroepschrift niet had meegenomen, namelijk dat de proceskostenvergoeding onjuist was vastgesteld.

Het hof oordeelde dat de kantonrechter deze grond had moeten beoordelen en vernietigde diens beslissing. Vervolgens werd de proceskostenvergoeding inhoudelijk beoordeeld. De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat voor een telefonische hoorzitting een heel punt toegekend had moeten worden, in plaats van een half punt, en verwees naar eerdere jurisprudentie.

Het hof verwees naar een eerder arrest waarin is vastgesteld dat een telefonische hoorzitting niet gelijkstaat aan een fysieke hoorzitting en dat deelname aan een telefonische hoorzitting een beduidend lagere werkbelasting voor de rechtsbijstandverlener oplevert. Daarom is een halve punt voor vergoeding redelijk. De argumenten van de gemachtigde leidden niet tot een ander oordeel.

Het hof verklaarde het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De beslissing van de kantonrechter werd vernietigd.

Uitkomst: Het hof verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.308.371/01
CJIB-nummer
: 228617745
Uitspraak d.d.
: 3 februari 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 20 januari 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de gronden zich slechts richtten tegen de reeds vernietigde inleidende beschikking.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter de grond in het beroepschrift van 14 september 2021 ten onrechte niet heeft meegenomen in de beoordeling. Die grond richt zich tegen de hoogte van de door de officier van justitie toegekende proceskostenvergoeding.
3. De grond slaagt. Het dossier bevat een beroepschrift d.d. 14 september 2021 met de door gemachtigde genoemde grond. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en deze grond alsnog beoordelen.
4. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie voor de hoorzitting in administratief beroep geen half maar een heel punt had moeten toekennen. Hij bestrijdt dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) die kunnen rechtvaardigen dat gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om een punt te halveren. De gemachtigde wijst in dit verband op een uitspraak van de rechtbank Limburg en naar andere rechtelijke colleges die een volledig punt toekennen voor het horen. De gemachtigde betwist dat sprake is van geringe inspanning voor wat betreft de voorbereiding van de hoorzitting en het daaraan deelnemen.
5. In zijn arrest van 20 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:7004, heeft het hof overwogen dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van het Bpb kan worden afgeleid dat de regelgever het geven van een telefonische toelichting op het administratief beroep uitdrukkelijk niet heeft willen aanmerken als het verschijnen op een (fysieke) hoorzitting. In de Nota van toelichting bij het Bpb is daaromtrent opgemerkt dat telefonisch horen een beduidend lagere werkbelasting voor de rechtsbijstandsverlener oplevert. In beginsel vormt deelname aan een telefonische hoorsessie dus geen proceshandeling die voor vergoeding in aanmerking komt.
6. Het hof heeft in hetzelfde arrest ook geoordeeld aanleiding te zien om in gevallen als deze gebruik te maken van de in artikel 2, derde lid, van het Bpb gecreëerde mogelijkheid om een afwijkende proceskostenvergoeding vast te stellen. Een redelijke wetstoepassing leidt - mede in aanmerking genomen de door de rechtsbijstandsverlener geleverde inspanning - tot toekenning van een half punt in geval sprake is geweest van telefonisch horen. Aan dit oordeel ligt mede ten grondslag dat bij een telefonische hoorzitting geen sprake is van reistijd en reiskosten alsmede dat een op grond van artikel 7, tweede lid, van de Wahv gehouden hoorzitting (fysiek dan wel telefonisch) slechts inhoudt het (indien gewenst) geven van een mondelinge toelichting op de beroepsgronden. De door de gemachtigde aangevoerde argumenten leiden thans niet tot een ander oordeel.
7. De beroepsgrond treft geen doel. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie daarom ongegrond verklaren. Aanleiding voor een proceskostenveroordeling is er niet.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.