ECLI:NL:GHARL:2024:1738
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing faillissementsverzoek investeerder tegen serviceverlener cryptovaluta
De investeerder had een investeringsovereenkomst gesloten met de serviceverlener voor beleggingen in cryptovaluta. Na het uitblijven van uitbetalingen vorderde de investeerder betaling van zijn investering plus winst en verzocht hij de serviceverlener failliet te verklaren.
De rechtbank wees het faillissementsverzoek af omdat niet summierlijk was gebleken dat de investeerder een opeisbare vordering had, mede door een aansprakelijkheidsbeperking in de overeenkomst en het feit dat de investeerder al aanzienlijke bedragen had ontvangen.
Het hof bevestigde dit oordeel in hoger beroep. Het stelde dat een faillietverklaring alleen kan worden uitgesproken als summierlijk blijkt dat de schuldeiser een bestaand vorderingsrecht heeft en dat de schuldenaar is opgehouden te betalen. De investeerder kon niet summierlijk aantonen dat hij een opeisbare vordering had, noch dat de serviceverlener onrechtmatig had gehandeld.
Een diepgaand onderzoek naar de transacties en aansprakelijkheid is noodzakelijk, maar daarvoor is geen ruimte in een faillissementsprocedure. Het hof bekrachtigde daarom de afwijzing van het faillissementsverzoek.
Uitkomst: Het faillissementsverzoek van de investeerder tegen de serviceverlener wordt afgewezen wegens het ontbreken van een summierlijk gebleken opeisbare vordering.