De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van de woning van belanghebbende per waardepeildatum 1 januari 2019 vast op €274.000 voor het jaar 2020. Na bezwaar werd deze waarde verminderd naar €252.000. Belanghebbende kwam hiertegen in beroep bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
In hoger beroep stond centraal of de waarde van de woning na bezwaar te hoog was vastgesteld, met name de kwalificatie van het voorzieningenniveau. Belanghebbende stelde een lagere waarde van €231.000 voor, gebaseerd op aankoopprijs, verbouwingskosten en een waardestijging. De heffingsambtenaar verdedigde de waarde van €252.000, onderbouwd met een taxatierapport van oktober 2021.
Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De vergelijkingsobjecten waren passend en de taxateur had de verschillen adequaat verwerkt. De verbouwing van circa €20.000 aan de binnenzijde rechtvaardigde het voorzieningenniveau 'normaal'. Het beroep op een lagere kwalificatie wegens kamerverhuur werd niet ondersteund met bewijs. Tevens werd geen overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld, zodat een immateriële schadevergoeding werd afgewezen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding en schadevergoeding afgewezen.