Uitspraak
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
2.De kern van de zaak
3.Het oordeel van het hof
Het afwezigenbewind is, al sinds januari 1970,geregeld in artikel 1:409-411 BW. Op dat bewind is, als de kantonrechter niet anders bepaalt, een groot deel van de bepalingen over het voogdijbewind van toepassing, inclusief artikel 1:353 BW Pro (artikel 1:410 lid 1 BW Pro). Tot 1 januari 2003 gold ook voor het afwezigenbewind als gezegd artikel 1:353 lid 2 BW Pro.
Kamerstukken II1978/79, 15 350, nr. 3, p. 23) is daarover te lezen:
Kamerstukken II1999/2000, 27 021, 3, p. 21 Invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, tweede gedeelte (nadere wijziging van Boek 4):
“Wettelijke vertegenwoordiging wordt door de wet voorgeschreven en geregeld. Zo b.v. bij de voogdij, de curatele van een geestelijk gestoorde, van een afwezige of van een gefailleerde.”)
‘de wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam die voor deze beneficiair heeft aanvaard’en het artikel biedt deze vertegenwoordiger de mogelijkheid bij een positief saldo van de nalatenschap een verzoek om opheffing van de verplichting tot vereffening te doen. Deze bepaling was aanvankelijk voorgesteld als lid 3 bij artikel 4:193 BW Pro met de volgende toelichting (Parl. Gesch. Boek 4 BW p. 2195):