Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland waarin de verdeling van de huwelijksgemeenschap werd gelast en uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard. Zowel de man als de vrouw hadden verzocht om deze uitvoerbaarverklaring bij voorraad, welke door de rechtbank was toegewezen zonder nadere motivering.
De vrouw verzocht het hof om schorsing van de uitvoerbaarheid van de beschikking totdat het hoger beroep is beslist. Het hof overweegt dat het uitgangspunt is dat een partij die in eerste aanleg een verzoek toegewezen heeft gekregen, geen belang heeft bij schorsing. Dit uitgangspunt wordt in deze zaak niet doorbroken.
De vrouw stelde dat zij belang had bij schorsing omdat zij anders haar woning zou moeten verkopen en dakloos zou raken, maar heeft dit onvoldoende onderbouwd. Ook haar stelling dat sprake is van een kennelijke misslag door toepassing van de nominaliteitsleer in plaats van de beleggingsleer en Nederlands recht in plaats van Italiaans recht, werd door het hof verworpen. Nieuwe feiten die de vrouw aanvoerde, werden door de man betwist. Het hof wijst het verzoek tot schorsing daarom af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vrouw tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad af.