ECLI:NL:GHARL:2024:3237

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 mei 2024
Publicatiedatum
8 mei 2024
Zaaknummer
Wahv 200.334.394/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 9, tweede lid, onder b, WahvArt. 6 EVRMArt. 1 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie wegens verlopen keuringsbewijs gematigd wegens hoorplichtschending en termijnoverschrijding

De betrokkene kreeg een sanctie van €150 opgelegd omdat het keuringsbewijs van zijn voertuig was verlopen. De advocaat-generaal matigde dit bedrag eerder met 25% wegens schending van de hoorplicht, waarna het hof de sanctie verder met 25% matigt vanwege overschrijding van de redelijke termijn van berechting.

De betrokkene voerde persoonlijke omstandigheden aan, waaronder het overlijden van zijn broer, als verzachtende factor. Het hof erkent de moeilijke situatie, maar acht het niet aannemelijk dat de keuring niet eerder had kunnen plaatsvinden. De sanctie wordt daarom niet verder gematigd op grond van billijkheid.

Het hof vernietigt de eerdere beslissingen van de kantonrechter, officier van justitie en advocaat-generaal, wijzigt de sanctie naar €75 en kent een proceskostenvergoeding van €85,12 toe voor reiskosten. Verzoek om immateriële schadevergoeding wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de Wahv dit niet toestaat.

Uitkomst: Sanctie gematigd tot €75 wegens hoorplichtschending en termijnoverschrijding, proceskostenvergoeding toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.334.394/01
CJIB-nummer
: 241664762
Uitspraak d.d.
: 8 mei 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Oost-Brabant van 20 juli 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Hierbij is gevraagd om een proceskostenvergoeding en om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft van de geboden gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 24 mei 2024. De betrokkene is verschenen.
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie van € 150,- opgelegd voor: “voor het motorrijtuig met een toegestane maximummassa van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs geldigheid verloren”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 4 juni 2021 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. Bij brief van 23 januari 2024 heeft de advocaat-generaal medegedeeld het bedrag van de sanctie wegens schending van de hoorplicht met 25% gematigd tot € 112,5‬0. Deze beslissing betreft een beslissing als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb die strekt ter vervanging van de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep.
3. De betrokkene voert onder meer aan dat de officier van justitie slechts heeft overwogen dat de in het administratief beroepschrift genoemde omstandigheden onvoldoende aanleiding geven om de opgelegde sanctie te matigen dan wel te vernietigen. De beslissing van de officier van justitie is derhalve onvoldoende gemotiveerd zodat sprake is van schending van het motiveringsbeginsel. De kantonrechter heeft dit miskend. Een beroep op het motiveringsbeginsel kan volgens de betrokkene bij een zeer gemotiveerd betoog niet worden verworpen met de enkele overweging dat niet uitgebreid op alle gronden hoeft te worden ingegaan.
4. Nu de advocaat-generaal de beslissing van de officier van justitie bij besluit van 23 januari 2024 heeft vervangen, behoeft voormelde grond geen bespreking meer.
5. De betrokkene voert aan dat de omstandigheden van het onderhavige geval de oplegging van een sanctie niet billijken. Begin 2021 kreeg de broer van de betrokkene slecht nieuws over zijn gezondheid. Op 16 april 2021 is de broer van de betrokkene overleden. In die periode had de betrokkene geen oog voor de brief van de RDW van 18 februari 2021, waarin hij werd gewezen op de datum waarop de keuring zijn geldigheid had verloren, te weten 3 april 2021. De betrokkene was ook in de veronderstelling dat de uiterste keuringsdatum in juni was omdat - met uitzondering van het jaar daarvoor - dat steeds de maand was waarin het voertuig werd gekeurd. Voornoemde omstandigheden geven volgens het openbaar ministerie geen aanleiding om de sanctie achterwege te laten of het bedrag daarvan te matigen, maar thans heeft de betrokkene nog steeds niet vernomen welke omstandigheden daar wél aanleiding toe geven. Indien het openbaar ministerie bij de beoordeling van een beroep op billijkheid geen vooraf vastgestelde criteria hanteert, komt het neer op de beoordeling van de omstandigheden van het geval. De betrokkene is van mening dat de door hem genoemde omstandigheden voldoende zijn en voelt zich daarin gesteund door de uitspraak van
30 januari 2024 van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (ECLI:NL:CBB:2024:31), waarin is overwogen dat bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding meer rekening moet worden gehouden met bijzondere omstandigheden die betrokkene(n) betreffen. Hierbij valt te denken aan persoonlijke omstandigheden aan de zijde van betrokkene(n) zelf, zoals psychische onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van betrokkene(n) of ziekte of overlijden van diens (hun) naasten en de zorgtaken die daarmee gepaard gaan. De sanctie kan niet in stand blijven.
6. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging niet ontkent, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie verder te matigen dan de advocaat-generaal bij besluit van 23 januari 2024 heeft gedaan.
7. Uit artikel 9, tweede lid, onder b, van de Wahv volgt dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden aanleiding kunnen zijn voor het oordeel dat het opleggen van een sanctie niet billijk is. Daarvan is in dit geval niet gebleken. Het hof kan weliswaar begrip hebben voor de moeilijke periode voor de betrokkene als gevolg van de ziekte en het overlijden van zijn broer, maar naar het oordeel van het hof is onvoldoende aannemelijk geworden dat de betrokkene het voertuig niet eerder dan op 28 juni 2021 had kunnen laten keuren. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de geldigheid van het keuringsbewijs reeds op 3 april 2021 was verlopen en de betrokkene hierop was gewezen in de brief van 18 februari 2021 van de RDW. De gevolgen van de omstandigheid dat de betrokkene zich door een eerdere keuring in het voorgaande jaar vergist heeft in het keuringsmoment, komen voor zijn rekening. Ten aanzien van de stelling dat de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024 in dit geval naar analogie moet worden toegepast, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een vergelijkbare situatie, zodat het hof voorbij gaat aan wat op dit punt is aangevoerd. De grond om de sanctie, gelet op de omstandigheden van het geval, verder te matigen treft dan ook geen doel.
8. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. De inleidende beschikking is op 15 juni 2021 verzonden en de kantonrechter heeft eerst op 20 juli 2023 op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beslist. Het hof zal doen hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen en het bedrag van de sanctie verder matigen met 25 procent van de sanctie, zoals die door de kantonrechter is vastgesteld, te weten € 150,- (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het door de advocaat-generaal gematigde en vastgestelde bedrag ad € 112,50 zal daarom verder worden gematigd met een bedrag van € 37,50 tot een bedrag van € 75,-.
9. Nu de betrokkene in het gelijk is gesteld als bedoeld in het arrest van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336, bestaat er aanleiding om de betrokkene een proceskostenvergoeding toe te kennen.
10. Ingevolge artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) kan een veroordeling in de kosten uitsluitend betrekking hebben op:
a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
b. kosten van een getuige of deskundige die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht,
c. kosten van een tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen,
d. reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende,
e. verletkosten van een partij of een belanghebbende,
f. kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken, en
g. kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin enig wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is.
11. Gelet op het Bpb komen voor vergoeding in aanmerking de reiskosten van de betrokkene voor het bijwonen van de zittingen bij de kantonrechter in ʼs-Hertogenbosch en dit hof. De reiskosten bedragen in totaal € 85,12 ( [woonplaats] - ʼs-Hertogenbosch vv (= 2 x € 12,88) en [woonplaats] - Leeuwarden vv
(= 2 x € 29,68), openbaar vervoer, tweede klasse). Ten aanzien van het verzoek om een vergoeding toe te kennen voor verletkosten overweegt het hof dat gesteld noch gebleken is dat de betrokkene als gevolg van het bijwonen van de zittingen van de kantonrechter en het hof inkomsten heeft moeten missen. Het verzoek om (immateriële) schadevergoeding zal het hof niet-ontvankelijk verklaren, nu de Wahv geen mogelijkheid biedt om aan een betrokkene een vergoeding voor schade toe te kennen.
12. Nu de sanctie (verder) wordt gematigd, kunnen de beslissingen van de kantonrechter, de officier van justitie en de advocaat-generaal niet in stand blijven. Het hof zal als volgt beslissen.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie en de advocaat-generaal gegrond en vernietigt deze beslissingen;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in
€ 75,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 85,12;
verklaart het verzoek om vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.