ECLI:NL:GHARL:2024:3264

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 mei 2024
Publicatiedatum
13 mei 2024
Zaaknummer
Wahv 200.334.018
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 WahvArt. 5 WahvArt. 13 WahvArt. 6:19 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aansprakelijkheid kentekenhouder bij gebruik voertuig door zoon ondanks verbod

De betrokkene was als kentekenhouder aangesproken voor een snelheidsovertreding van 20 km/u te hard binnen de bebouwde kom op 9 maart 2022. Hij voerde aan dat zijn zoon het voertuig zonder toestemming had gebruikt, ondanks een expliciet verbod, en dat dit gebruik gelijkgesteld kon worden aan joyriding.

De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond en het gerechtshof bevestigde deze beslissing. De betrokkene had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij het gebruik van het voertuig door zijn zoon redelijkerwijs niet had kunnen voorkomen. De zoon beschikte kennelijk over de reservesleutel, waardoor het gebruik niet als joyriding kon worden aangemerkt.

De sanctie werd door de advocaat-generaal met 25% gematigd wegens schending van de hoorplicht, maar de aansprakelijkheid van de kentekenhouder bleef in stand. Het hof benadrukte dat de uitzondering in artikel 8 onder Pro a van de Wahv vooral bedoeld is voor gevallen van joyriding of diefstal, niet voor niet-toegestaan gebruik door een bekende. De betrokkene kan eventueel het bedrag op zijn zoon verhalen, maar blijft zelf aansprakelijk.

Uitkomst: De aansprakelijkheid van de kentekenhouder voor de snelheidsovertreding wordt bevestigd ondanks het gebruik van het voertuig door zijn zoon zonder toestemming.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.334.018/01
CJIB-nummer
: 248043149
Uitspraak d.d.
: 13 mei 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank NoordHolland van 4 september 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 16 januari 2024 heeft de advocaat-generaal de betrokkene bericht dat is besloten om het bedrag van de sanctie met 25 procent te matigen.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De betrokkene voert aan dat de beslissing van de kantonrechter onvoldoende is gemotiveerd. Uit de beslissing blijkt namelijk niet waarom dat wat is aangevoerd onvoldoende wordt geacht om te spreken van een situatie waarin aannemelijk is geworden dat het gebruik van het voertuig redelijkerwijs had kunnen worden voorkomen. Daarnaast is niet ingegaan op de stelling dat joyriding vergeleken kan worden met (niet toegestaan) gebruik van de auto.
2. Op grond van artikel 13, tweede lid, van de Wahv moet de beslissing van de kantonrechter met redenen zijn omkleed. De wet stelt geen nadere eisen aan de motivering en dus ook niet de eis dat op alle argumenten van de betrokkene expliciet dient te worden gereageerd. De kantonrechter heeft in zijn beslissing overwogen dat hij, gelet op wat de betrokkene heeft aangevoerd, de situatie niet aanmerkt als zijnde een situatie waarin aannemelijk is geworden dat de betrokkene het gebruik van zijn voertuig redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. Daarmee heeft de kantonrechter voldoende gemotiveerd waarom hij de gronden van de betrokkene, inhoudende dat de uitzondering van artikel 8, onder a van de Wahv van toepassing is en de sanctie ten onrechte aan hem als kentekenhouder is opgelegd, niet volgt. Van schending van het motiveringsbeginsel door de kantonrechter is daarom geen sprake.
3. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 201,- voor: “20 km per uur harder rijden dan mag binnen de bebouwde kom”. Deze gedraging zou zijn verricht op 9 maart 2022 om 10.48 uur op de Nieuwemeerdijk (thv 221) in Badhoevedorp met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
4. Bij brief van 16 januari 2024 heeft de advocaat-generaal de betrokkene bericht dat is besloten om het bedrag van de sanctie met 25 procent te matigen wegens schending van de hoorplicht door de officier van justitie, te weten tot een bedrag van € 150,75. Deze beslissing betreft een beslissing als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht die strekt ter vervanging van de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep.
5. De betrokkene voert verder aan dat zijn zoon het voertuig heeft gebruikt, terwijl hij dit expliciet had verboden. Zijn zoon, die in [woonplaats] op kamers woont, heeft echter toen de betrokkene niet thuis was de reserve autosleutels gepakt en is er met de auto vandoor gegaan. De betrokkene wijst erop dat daarmee sprake is van niet toegestaan gebruik van de auto welk gebruik gelijk gesteld kan worden aan joyriding. Immers, bij joyriding kiest iemand ervoor om voor korte tijd en zonder expliciete toestemming van de eigenaar een voertuig te gebruiken. De betrokkene merkt op dat hij zijn zoon expliciet heeft verboden de auto te gebruiken wat veel verder gaat dan zonder expliciete toestemming een voertuig gebruiken. Daarbij wijst de betrokkene naar een uitspraak van het hof van 18 januari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:403. Daarnaast voert de betrokkene aan dat hij in redelijkheid heeft gedaan wat hij had kunnen doen om het gebruik van de auto door zijn zoon redelijkerwijs te voorkomen. Naast het verbod de auto te gebruiken heeft de betrokkene zijn autosleutels altijd bij zich. Dat hij vergeten is de reservesleutel te verstoppen, maakt dat niet anders. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat de uitzondering van artikel 8, onder a, van de Wahv van toepassing is en dat de sanctie ten onrechte aan hem als kentekenhouder is opgelegd. De inleidende beschikking komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.
6. Ingevolge artikel 5 van Pro de Wahv kan de administratieve sanctie worden opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken was ingeschreven in het kentekenregister ten tijde van de gedraging.
7. Artikel 8 van Pro de Wahv bevat een drietal uitzonderingen op de uit artikel 5 van Pro de Wahv voortvloeiende aansprakelijkheid, waaronder voor zover hier van belang de situatie (onder a) waarin degene op wiens naam het kenteken in het kentekenregister is ingeschreven aannemelijk maakt dat tegen zijn wil door een ander van het motorrijtuig gebruik is gemaakt en de betrokkene dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. De wetgever heeft bij deze uitzondering met name gedacht aan gevallen van joyriding of diefstal en uitdrukkelijk niet aan gevallen van toegestaan gebruik.
8. Uit het voorgaande volgt dat de betrokkene zich als kentekenhouder van het voertuig kan bevrijden van zijn aansprakelijkheid voor betaling van de sanctie voor gedragingen die met het op zijn naam staand voertuig zijn begaan, door met concrete feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat tegen zijn wil door een ander van het voertuig gebruik is gemaakt én dat de betrokkene dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.
9. Het beroep slaagt niet. De stelling van de betrokkene dat zijn zoon het voertuig, ondanks een expliciet verbod daartoe, heeft gebruikt, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is geweest van joyriding. In dit geval kon de zoon kennelijk beschikken over de reservesleutel van het voertuig. Dat de betrokkene dit redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen, is niet gebleken.
10. Gelet op het voorgaande is de sanctie terecht aan de betrokkene, als kentekenhouder, opgelegd. Het staat de betrokkene vrij om desgewenst te proberen het bedrag van de sanctie te verhalen op zijn zoon. De kantonrechter heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal die beslissing daarom bevestigen.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.