ECLI:NL:GHARL:2024:3537

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 mei 2024
Publicatiedatum
27 mei 2024
Zaaknummer
Wahv 200.334.702
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 6 EVRMArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie wegens snelheidsovertreding binnen bebouwde kom met matiging wegens termijnoverschrijding

De betrokkene kreeg een sanctie van €184 opgelegd voor het rijden van 19 km per uur te hard binnen de bebouwde kom op 8 september 2021. De sanctie werd opgelegd aan de kentekenhouder omdat de overtreding met een mobiele radar werd vastgesteld en er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was.

De gemachtigde voerde aan dat de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder werd opgelegd en dat de redelijke termijn van berechting was overschreden. Het hof oordeelt dat de sanctie terecht aan de kentekenhouder is opgelegd omdat sprake was van een eenmanscontrole zonder opvangploeg, waardoor staandehouding niet mogelijk was.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden, maar dat deze overschrijding niet in overwegende mate aan de gemachtigde kan worden toegerekend. Daarom wordt de sanctie met 25% gematigd en wordt de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €875.

De beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd en het beroep van de betrokkene tegen de sanctie wordt gedeeltelijk gegrond verklaard. Het sanctiebedrag wordt gewijzigd in €138. Tevens wordt bepaald dat teveel gestelde zekerheid wordt gerestitueerd.

Uitkomst: Sanctie wegens snelheidsovertreding gematigd met 25% vanwege overschrijding redelijke termijn, proceskostenvergoeding toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.334.702/01
CJIB-nummer
: 244222542
Uitspraak d.d.
: 27 mei 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Oost-Brabant van 26 september 2023, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 184,- voor: “19 km per uur harder rijden dan mag binnen de bebouwde kom (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 8 september 2021 om 10.26 uur op de J.F. Kennedylaan in Eindhoven met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder van het voertuig is opgelegd, nu zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig heeft voorgedaan. De verklaring dat de ambtenaar heeft afgezien van een staandehouding, omdat sprake was van een vaststelling door middel van een mobiele radar is onvoldoende.
3. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Doordat de overtreding met een mobiele radar is geconstateerd bestond er geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder. Daarom is op kenteken bekeurd.”
5. Voorts heeft de advocaat-generaal een proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 januari 2024 overgelegd. Hierin verklaart de ambtenaar:
“Op uw vraag of er gewerkt werd met een opvangploeg kan ik u antwoorden dat dit een soloradarcontrole was. Er werd niet gewerkt met een opvangploeg.”
6. Nu blijkens voormeld proces-verbaal sprake was van een eenmanscontrole, was er in dit geval geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig (vgl. het arrest van het hof van 14 februari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1256). De sanctie mocht derhalve aan de betrokkene als kentekenhouder worden opgelegd.
7. De gemachtigde voert voorts aan dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden. Het hof wordt daarom verzocht vast te stellen dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden, het bedrag van de sanctie met 25 procent te matigen alsmede een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de kosten die in deze procedure redelijkerwijs zijn gemaakt. De kantonrechter heeft volgens de gemachtigde ten onrechte geoordeeld dat de overschrijding van de redelijke termijn aan de gemachtigde is te wijten, nu de gemachtigde geen invloed heeft op de afhandeling van de zaak bij de kantonrechter.
8. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting is overschreden, maar is van oordeel dat die overschrijding niet de kantonrechter, maar de gemachtigde kan worden verweten. Hiertoe heeft de kantonrechter overwogen dat de gemachtigde in eerste instantie een pro forma beroep heeft ingediend met het verzoek tot het verkrijgen van het dossier. Ter zitting is gebleken dat de gemachtigde al over het dossier beschikte, daar dit gelijktijdig met de oproep voor de hoorzitting is verstuurd.
9. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in eerste aanleg is aangevangen toen de inleidende beschikking op 23 september 2021 aan de betrokkene is verzonden en geëindigd met de beslissing van de kantonrechter van
26 september 2023. Het hof stelt voorts vast dat zich in het dossier een brief van de officier van justitie d.d. 5 november 2021 met als onderwerp “Horen en aanvullende gronden” bevindt, waarin de officier van justitie aangeeft dat de gemachtigde stukken heeft opgevraagd en de gemachtigde als bijlage(n) bij deze brief de stukken krijgt die onderdeel uitmaken van de dossiers. In de procedure bij de kantonrechter heeft de gemachtigde een beroepschrift d.d. 24 januari 2022 ingediend met als onderwerp “pro-forma kantonberoep incl. verzoek om stukken + draagkrachtverweer”. In dit beroepschrift stelt de gemachtigde dat hij het volledige procesdossier (nog) niet in zijn bezit heeft en verzoekt hij om toezending van alle op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een termijn voor het aanleveren van de aanvullende gronden. Het dossier bevat verder een aan de gemachtigde geadresseerde brief d.d. 26 augustus 2022 van de griffier van de rechtbank met als onderwerp “ontvangstbevestiging/verzoek herstel verzuim/afschrift procesdossier”. De gemachtigde heeft bij brief d.d. 16 september 2022 aanvullende gronden in de procedure bij de kantonrechter ingediend. De griffier van de rechtbank heeft de gemachtigde bij brief d.d. 17 juli 2023 opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter op 26 september 2023.
10. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat hetgeen de gemachtigde in het beroepschrift bij de kantonrechter naar voren heeft gebracht, namelijk dat hij (nog) niet in het bezit is van het volledige procesdossier niet strookt met de brief van de officier van justitie d.d. 5 november 2021, waaruit blijkt dat het procesdossier bij die brief aan de gemachtigde is verstrekt. Door het wederom opvragen van het procesdossier bij de kantonrechter alvorens gronden in te dienen door de gemachtigde, kan de kantonrechter de gemachtigde niet meteen oproepen voor de zitting en duurt de procedure langer. De redelijke termijn van berechting kan langer zijn indien de duur van de procedure in overwegende mate aan de betrokkene of diens gemachtigde is toe te rekenen (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369). De kantonrechter moet evenwel de voortgang van de procedure bewaken en toezien op een redelijke termijn van berechting. De kantonrechter had in casu de gemachtigde eerder kunnen oproepen voor een zitting op een eerdere datum. Het hof is aldus, anders dan de kantonrechter, van oordeel dat de langere duur van de onderhavige procedure niet in overwegende mate aan de gemachtigde is toe te rekenen. De beslissing van de kantonrechter kan derhalve niet in stand blijven. Gelet op het voorgaande zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. voornoemd arrest van het hof van 28 juli 2023).
11. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking (vgl. voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 875,-.
12. Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking, in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in
€ 138,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 875,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.