In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland inzake kinderalimentatie voor een minderjarige geboren in 2019. De man, met Venezolaanse nationaliteit, betwistte de ingangsdatum en hoogte van de alimentatieverplichting die de rechtbank had vastgesteld op €250 per maand vanaf 1 maart 2021.
De vrouw, met Nederlandse nationaliteit en gezag over het kind, woonachtig in Nederland, verzocht om handhaving van de beschikking. Het hof overwoog dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is vanwege de woonplaats van vrouw en kind. Het hof benadrukte de grote vrijheid van de rechter bij het bepalen van de ingangsdatum van alimentatie, maar wees op behoedzaamheid bij terugwerkende kracht.
Het hof oordeelde dat de ingangsdatum van de alimentatieverplichting moet zijn 12 september 2023, omdat de man pas vanaf die datum op de hoogte was van het verzoek. Eerder contact of vrijwillige betalingen waren onvoldoende om een eerdere ingangsdatum te rechtvaardigen. Ook stelde het hof vast dat de draagkracht van de man beperkt is, mede vanwege andere alimentatieverplichtingen, en dat hij niet meer kan bijdragen dan €25 per maand per kind.
De grieven van de man slaagden, de eerdere beschikking werd vernietigd en de alimentatieverplichting werd aangepast. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.