ECLI:NL:GHARL:2024:3797

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 juni 2024
Publicatiedatum
6 juni 2024
Zaaknummer
200.339.451/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Brussel IIter (EU 2019/1111)Art. 223 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 360 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening en schorsing toevertrouwing kind aan moeder in VS

De moeder, woonachtig in de Verenigde Staten, stelde hoger beroep in tegen een beschikking van de rechtbank Gelderland die haar verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing met het kind naar de VS afwees. Het geschil betreft de voorlopige toevertrouwing van het kind aan de moeder en toestemming voor verhuizing en inschrijving op een nieuwe school.

Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. De moeder heeft belang bij een voorlopige voorziening, maar gezien de korte termijn waarin de bodemprocedure zal worden behandeld, kan van haar worden verlangd de afloop van die procedure af te wachten. De zorgen van de moeder over de gezondheid en taalvaardigheid van het kind worden door de vader gemotiveerd betwist en vormen geen spoedeisend belang.

Het hof volgt het advies van de raad voor de kinderbescherming om het kind niet te laten verhuizen gedurende de procedure. Het verzoek tot voorlopige voorziening en schorsing van de beschikking wordt afgewezen. De beslissing is op 6 juni 2024 in het openbaar uitgesproken door drie rechters.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de moeder tot voorlopige toevertrouwing en schorsing af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.339.451/02
(zaaknummer rechtbank Gelderland 427003)
beschikking van 6 juni 2024 inzake voorlopige voorziening en schorsing
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] (Verenigde Staten),
verzoekster,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. Z. Acer te Arnhem,
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.F. Vonk te Ede.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens verzoek provisionele voorziening, ingekomen op 23 maart 2024;
- het verweerschrift op verzoek voorlopige voorziening;
- een journaalbericht van mr. Acer van 7 mei 2024 met productie.
1.3
De mondelinge behandeling heeft op 16 mei 2024 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Turkse taal;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).

2.De feiten

2.1
Partijen zijn [in] 2015 in [plaats1] , Massachusetts (Verenigde Staten) met elkaar getrouwd.
De echtscheidingsprocedure loopt nog. De mondelinge behandeling van de echtscheiding zal op 12 juni 2024 plaatsvinden op de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem.
2.2
De moeder heeft de Turkse nationaliteit. De vader heeft de Nederlandse nationaliteit.
2.3
Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren [in] 2017 in [plaats2] (Zwitserland), over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
2.4
De moeder heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 26 januari 2024 (hierna: de bestreden beschikking) waarbij haar verzoek tot verlening van vervangende toestemming tot verhuizing met [de minderjarige] naar [woonplaats1] is afgewezen.
De moeder woont sinds juni 2023 in [woonplaats1] .

3.De omvang van het geschil

3.1
In geschil zijn de verzoeken van de moeder te bepalen:
- dat [de minderjarige] voor de duur van het geding wordt toevertrouwd aan de moeder totdat in de hoofdzaak is beslist bij welke ouder [de minderjarige] haar hoofdverblijf heeft;
- dat vervangende toestemming wordt verleend aan de moeder om met [de minderjarige] af te reizen naar de Verenigde Staten totdat in de bodemprocedure zal zijn beslist en die uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan;
- dat vervangende toestemming wordt verleend aan de moeder om [de minderjarige] in te schrijven op een nieuwe school in [woonplaats1] , te weten: [de school] , [woonplaats1] ,
althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.
3.2
De moeder heeft haar verzoek bij akte – en verduidelijkt op de mondelinge behandeling – gewijzigd in die zin dat zij het hof ook verzoekt schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking voor zover deze ziet op de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader.

4.De beoordeling van het verzoek

Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1
Op grond van artikel 7 van Pro Brussel IIter (EU 2019/1111) is de Nederlandse rechter bevoegd van dit geschil kennis te nemen omdat [de minderjarige] op het moment van indiening van het verzoekschrift haar gewone verblijfplaats in Nederland had.
De rechtbank heeft het Nederlands recht toegepast. Ten aanzien van het toepasselijk recht zijn geen grieven opgeworpen, zodat het hof Nederlands recht zal toepassen.
Voorlopige voorziening
4.2
Op grond van artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. In het tweede lid staat vermeld dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.
4.3
Een voorlopige voorziening is een tijdelijke beslissing, die slechts geldt voor de duur van de procedure. De verzoeker moet in die zin belang hebben bij het verzoek dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht.
4.4
Het hof stelt vast dat er een bodemprocedure aanhangig is gemaakt bij het hof en dat het verzoek van de moeder in de voorlopige voorziening samenhangt met de hoofdvordering.
Over de vraag of sprake is van spoedeisendheid ofwel dat van de moeder niet kan worden gevergd dat zij de afloop van de bodemzaak afwacht, oordeelt het hof het volgende.
Op de mondelinge behandeling heeft de moeder verteld dat zij het in het belang van [de minderjarige] vindt dat [de minderjarige] het schooljaar op haar huidige school kan afmaken en pas aan het eind van de zomer naar [woonplaats1] verhuist, zodat zij in september kan beginnen op haar nieuwe school in [woonplaats1] .
Wat betreft de procedure in de bodemzaak overweegt het hof dat de verwachting is – gelet op het feit dat partijen recent hun verhinderdata hebben doorgegeven – dat de mondelinge behandeling daarvan in of net na de zomer zal plaatsvinden en dat op het verzoek van de moeder zal worden beslist binnen enkele weken daarna. Gelet op dit korte tijdsbestek, waarbij er binnen enkele maanden hoogstwaarschijnlijk duidelijkheid is waar [de minderjarige] zal gaan wonen, is het hof van oordeel dat van de moeder kan worden gevergd dat zij de afloop van de bodemzaak afwacht. Het hof volgt hierin het advies van de raad om [de minderjarige] niet te laten verhuizen naar [woonplaats1] voor de duur van de procedure en weegt mee dat niet al vaststaat dat het verzoek van de moeder in de bodemzaak zal worden toegewezen en dat een voorlopige verhuizing van [de minderjarige] naar [woonplaats1] grote gevolgen heeft voor [de minderjarige] .
4.5
Op de mondelinge behandeling is het hof gebleken dat de moeder zich grote zorgen maakt om [de minderjarige] ; voornamelijk om haar gezondheid vanwege haar waterwratten. Daarnaast vindt de moeder het zorgelijk dat [de minderjarige] naar het Jeugdjournaal kijkt en dat haar Turkse taalvaardigheid snel achteruitgaat. De vader heeft gemotiveerd betwist dat er redenen zijn voor zorg. Wat betreft de gezondheid van [de minderjarige] heeft hij aangevoerd dat hij twee keer bij de huisarts is geweest vanwege de wratten en op advies van de huisarts geen behandeling is gestart. Het hof ziet ook in de door de moeder genoemde zorgen – die door de vader gemotiveerd zijn betwist – geen spoedeisend belang op basis waarvan [de minderjarige] voor de duur van de procedure bij de moeder in [woonplaats1] zou moeten verblijven. Het hof overweegt daarbij dat het feit dat bij de moeder zorgen zijn ontstaan, vooral te maken lijkt te hebben met de verslechterende communicatie en het afnemende vertrouwen tussen partijen. Met de raad is het hof van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat de ouders werken aan de verbetering van hun communicatie. Het hof verwacht dat dit een hoop ruis en een deel van de zorgen van de moeder kan wegnemen.
4.6
Het hof zal het verzoek van de moeder tot het treffen van een voorlopige voorziening dan ook afwijzen.
Schorsing
4.7
Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid Pro 2, tweede volzin, Rv kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.
4.8
De moeder heeft het hof verzocht de werking van de bestreden beschikking te schorsen voor zover deze ziet op de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader. Gelet op wat het hof in het kader van de voorlopige voorziening heeft overwogen, heeft de moeder echter geen belang meer bij haar verzoek tot schorsing, zo de bestreden beschikking zich al voor schorsing zou lenen. Het hof zal het verzoek dan ook afwijzen.

5.De beslissing

Het hof:
wijst de verzoeken van de moeder af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, P.B. Kamminga en A.T. Bol, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 6 juni 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.