ECLI:NL:GHARL:2024:3905

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 juni 2024
Publicatiedatum
12 juni 2024
Zaaknummer
Wahv 200.337.304/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 RVV 1990Artikel 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie parkeren op gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats

De betrokkene kreeg een sanctie van €310 opgelegd voor parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder geldige kaart. De kantonrechter wijzigde de feitcode naar parkeren op een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats en paste het sanctiebedrag aan.

In hoger beroep stelt de betrokkene dat de wijziging van de feitcode niet toegestaan is omdat het oorspronkelijke feit een ander feitencomplex betreft. Het hof stelt vast dat het voertuig op een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats stond, wat een hogere sanctie van €410 met zich meebrengt.

Het hof oordeelt dat de kantonrechter onterecht de feitcode en omschrijving wijzigde omdat het sanctiebedrag hoger is dan het oorspronkelijke bedrag. De beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd, evenals de sanctiebeschikking, en het door de betrokkene gestelde bedrag wordt gerestitueerd.

Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt de beslissing van de kantonrechter en verklaart het beroep gegrond, waarbij het opgelegde sanctiebedrag wordt gerestitueerd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.337.304/01
CJIB-nummer
: 250439694
Uitspraak d.d.
: 12 juni 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 9 januari 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en zowel de feitcode als het bedrag van de sanctie gewijzigd.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 310,- voor: “R402B: Parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 juni 2022 om 13:49 uur op de Zwaluwstraat in Maassluis met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft mede naar aanleiding van hetgeen de betrokkene had aangevoerd, geoordeeld dat de ambtenaar een onjuiste feitcode heeft toegepast en voorts de feitcode en de omschrijving van de gedraging gewijzigd in: “R402C: als bestuurder op een gehandicaptenparkeerplaats parkeren anders dan met een voertuig dat voor die gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats bestemd is”.
3. De betrokkene voert in hoger beroep onder meer aan dat inderdaad een verkeerde feitcode is gebruikt, maar dat de kantonrechter die niet had mogen wijzigen, nu aan de oorspronkelijke feitcode een heel ander feitencomplex ten grondslag ligt.
4. Het hof is van oordeel dat op basis van de gegevens in het dossier, met name de verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht en de foto’s van de gedraging, kan worden vastgesteld dat het voertuig van de betrokkene op een gehandicaptenparkeerplaats stond die was gereserveerd voor een bepaald voertuig. Dit betreft een overtreding van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, van het Reglement verkeersregels en verkeersteken (RVV 1990). De bij deze gedraging behorende feitcode is R402c. Het sanctiebedrag dat bij deze gedraging hoort is € 410,-.
5. Aldus bezien is de kantonrechter terecht en op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat de ambtenaar in dit geval de verkeerde feitcode heeft toegepast. Echter, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, is wijziging van de omschrijving van de gedraging en de feitcode reeds hierom niet mogelijk, nu het sanctiebedrag voor de overtreding van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, van het RVV 1990 hoger is dan het bedrag van de sanctie die aan de betrokkene is opgelegd (vgl. het arrest van het hof van 4 februari 2019, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2019:1146). De omstandigheid dat de kantonrechter het sanctiebedrag niet heeft verhoogd tot het bij deze feitcode horende sanctiebedrag maar op het oorspronkelijke sanctiebedrag een matiging heeft toegepast omdat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden, doet hieraan niet af.
6. Het hof zal, gelet op het voorgaande, de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, namelijk het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigen. Het tot zekerheid gestelde bedrag dient aan de betrokkene te worden gerestitueerd.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.