Belanghebbende is eigenaar van een Rijksmonumentaal herenhuis uit 1857, gelegen op een perceel met bijzondere waterverdedigingskenmerken. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2020 vast op €950.000, waartegen belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betwist belanghebbende de waarde en pleit voor €800.000, terwijl de heffingsambtenaar de waarde handhaafde. Het hof oordeelt dat de taxatie van de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk maakt dat de waarde niet te hoog is, mede vanwege de bijzondere status van het object en de beperkte vergelijkbaarheid met andere woningen.
Het hof acht het eigen verkoopcijfer van €1.100.000, gecorrigeerd voor prijsontwikkeling, een beter uitgangspunt dan de vergelijkingsmethode. De door belanghebbende voorgestelde prijsontwikkeling is echter te hoog en niet aannemelijk. Geen van beide partijen maakt een aannemelijke waarde aannemelijk, zodat het hof de waarde in goede justitie vaststelt op €900.000.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig verminderd en de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten en griffierechten.