ECLI:NL:GHARL:2024:4083

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 juni 2024
Publicatiedatum
18 juni 2024
Zaaknummer
200.333.542/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vader mag bewijs leveren over vermeende schuldbekentenis dochter in hoger beroep

In deze civiele zaak vordert een vader betaling van een bedrag van €8.960,- van zijn dochter, gebaseerd op een vermeende schuldbekentenis voor een lening die zij zou hebben afgesloten voor de aankoop van een auto. De dochter betwist zowel de lening als de echtheid van haar handtekening op het schuldbekentenisdocument, en stelt dat het document en haar handtekening vervalst zijn.

De rechtbank wees de vordering af omdat de vader niet had voldaan aan de bewijsopdracht om de echtheid van de handtekening aan te tonen. In hoger beroep biedt de vader alsnog bewijs aan, onder meer door getuigenbewijs en een deskundigenonderzoek. Het hof ziet geen aanleiding voor een deskundigenonderzoek, maar staat het aanbieden van getuigenbewijs toe vanwege de herkansingsfunctie van het hoger beroep.

Het hof bepaalt dat de vader de mogelijkheid krijgt om te bewijzen dat de handtekening van de dochter authentiek is. De getuigen zullen worden gehoord door de raadsheer-commissaris in het Paleis van Justitie te Leeuwarden, waarbij partijen worden geadviseerd aanwezig te zijn. Nadere procedurele instructies worden gegeven over het opgeven van getuigen en het indienen van stukken. De verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: Het hof staat vader toe bewijs te leveren over de echtheid van de schuldbekentenis en wijst getuigenverhoor toe; verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.333.542/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 9884314
arrest van 18 juni 2024
in de zaak van
[appellant],
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de kantonrechter optrad als eiser,
hierna:
[appellant],
advocaat: mr. H. Veldman te Roden,
tegen
[geïntimeerde],
die woont op een geheim adres,
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde,
hierna:
[geïntimeerde],
advocaat: mr. M.S. Scheffers te Hoogezand.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, op 21 maart 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de dagvaarding in hoger beroep, de memorie van grieven en de memorie van antwoord.

2.De kern van de zaak

2.1
[appellant] is de vader van [geïntimeerde] . Hij beroept zich op een schuldbekentenis die [geïntimeerde] op 2 januari 2016 zou hebben ondertekend. Daarin staat dat [geïntimeerde] (toen nog [achternaam appellant] geheten) voor de aankoop van een Ford Fiësta € 8.000,- heeft geleend, terug te betalen in onderling overleg. Dit stuk bevat een handgeschreven goedschrift, de handtekening van [appellant] en een handtekening die volgens hem van [geïntimeerde] is. Zij bestrijdt dat. Volgens haar gaat het om een vervalsing – zowel van het goedschrift als van haar handtekening. Het zou de zoveelste poging van haar vader zijn om haar dwars te zitten. Hij bestrijdt dat op zijn beurt, maar vast staat wel dat de gemoederen tussen hen in de loop van de tijd zo hoog zijn opgelopen dat [appellant] is veroordeeld voor stalking en bedreiging, en dat hem een contact- en straatverbod is opgelegd ten behoeve van [geïntimeerde] en haar zoon. [geïntimeerde] heeft haar achternaam gewijzigd en woont nu op een geheim adres.
2.2
[appellant] heeft zich op de schuldbekentenis beroepen en heeft bij de kantonrechter gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om aan hem € 8.960,- te betalen, vermeerderd met rente en kosten. De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat deze vorderingen alsnog worden toegewezen.

3.Het oordeel van het hof

3.1
In een tussenvonnis van 6 december 2022 heeft de rechtbank [appellant] in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat de handtekening onder de schuldbekentenis van [geïntimeerde] is. [appellant] heeft toen van bewijsvoering afgezien. Om die reden, en omdat de kantonrechter geen aanleiding zag ambtshalve een handtekeningdeskundige te benoemen, is de vordering afgewezen.
3.2
In dit hoger beroep biedt [appellant] alsnog aan om te bewijzen dat [geïntimeerde] de schuldbekentenis heeft ondertekend. Ook wenst hij bewijs te leveren door middel van een onderzoek van een door het hof te benoemen deskundige.
3.3
Het hof zal gelet op het overige door [appellant] in hoger beroep aangeboden bewijs niet overgaan tot de benoeming van een deskundige, het hof ziet daar geen aanleiding toe. Maar, omdat nu ook (opnieuw, en voldoende gespecificeerd) getuigenbewijs is aangeboden, is het hof, gelet op de herkansingsfunctie van het hoger beroep, gehouden dat aanbod te honoreren. Dat leidt tot de volgende beslissing.

4.De beslissing

Het hof laat [appellant] toe te bewijzen dat de handtekening onder de schuldbekentenis van [geïntimeerde] is.
Als getuigen worden gehoord, zal raadsheer-commissaris mr. Zandbergen de getuigen horen in het Paleis van Justitie aan het Wilhelminaplein 1 in Leeuwarden. Het verdient aanbeveling dat beide partijen daar zelf bij aanwezig zijn.
[appellant] moet op dinsdag 2 juli 2024 weten hoeveel getuigen hij wil laten horen, met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten. Daarna stelt het hof de dag en het tijdstip van het verhoor vast. Dat gebeurt ook als de opgave onvolledig is.
[appellant] moet de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het getuigenverhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof opgeven.
Een partij die tijdens het getuigenverhoor nieuwe stukken wil indienen, moet het hof en de wederpartij daarvan uiterlijk 10 kalenderdagen voor de dag van de zitting een kopie sturen.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, M. Aksu en J.E. Wichers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
18 juni 2024.