Partijen waren gehuwd tot 2012 en deelden een woning die na de scheiding door appellante werd bewoond en in 2020 werd verkocht. Appellante vorderde vergoeding van betaalde hypotheek- en eigenaarslasten, terwijl geïntimeerde zich verweerde met verrekening en een tegenvordering wegens gebruiksvergoeding en betaalde lasten.
De rechtbank wees de vorderingen deels toe en veroordeelde appellante tot betaling van €8.756,42 aan geïntimeerde. In hoger beroep werd geoordeeld dat appellante minder hoeft te betalen, namelijk €3.464,20, omdat zij mocht vertrouwen op volledige betaling van hypotheekrente door geïntimeerde tot december 2012. Verder werd het beroep op gebruiksvergoeding vanaf 2017 toegewezen vanwege gewijzigde marktomstandigheden en langdurig exclusief gebruik door appellante.
Andere vorderingen, zoals regres voor onroerendezaakbelasting en premies Monuta, werden afgewezen wegens onvoldoende bewijs of reeds verdisconteerd in eerdere beslissingen. Het hof bepaalde dat partijen ieder hun eigen kosten dragen en verklaarde de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.