Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellant, geboren in 1939 tijdens het huwelijk van zijn moeder en de juridische vader, verzocht de rechtbank om ontkenning van het vaderschap van de juridische vader en vaststelling van het vaderschap van zijn biologische vader, [naam1]. De rechtbank verklaarde appellant niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de wettelijke driejaarstermijn voor ontkenning van het vaderschap.
In hoger beroep stelde appellant dat hij reeds sinds zijn jeugd wist dat [naam1] zijn biologische vader was en dat hij in 1960 zelfs zijn achternaam wijzigde naar die van [naam1]. Pas recentelijk werd hij geconfronteerd met de juridische status dat de juridische vader nog steeds als vader gold. Het hof oordeelde dat het vasthouden aan de termijn in deze omstandigheden onaanvaardbaar is en een ongerechtvaardigde inmenging in het gezinsleven vormt volgens artikel 8 EVRM Pro.
Het hof liet de termijn buiten beschouwing en verklaarde appellant ontvankelijk. Gelet op de verklaringen en het DNA-rapport stelde het hof vast dat [naam1] de biologische vader is en wees het verzoek tot ontkenning van het vaderschap van de juridische vader en vaststelling van het vaderschap van [naam1] toe.
De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en het hof bepaalde dat de griffier de beschikking aan de burgerlijke stand zal zenden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot ontkenning van het juridische vaderschap en vaststelling van het biologisch vaderschap toe en laat de wettelijke termijn buiten toepassing.