De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van zijn minderjarige kind, geboren in 2014. De kinderrechter had de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 23 augustus 2024. De vader verzet zich hiertegen en verzoekt vernietiging van deze beschikking.
Het hof stelt vast dat de minderjarige sinds 2020 onder toezicht staat van de gecertificeerde instelling (GI) en sinds mei 2021 bij pleegouders woont. De minderjarige heeft een geschiedenis van huiselijk geweld en hechtingsproblematiek, met een leerachterstand en sociaal-emotionele achterstand. Uit deskundigenrapporten blijkt dat herstel alleen mogelijk is bij een stabiele woonplek en sensitieve opvoeders. De vader toont onvoldoende reflectie op zijn handelen en kan de behoeften van het kind niet goed aanvoelen.
De GI heeft begeleide omgang tussen vader en kind ingesteld vanwege ernstige gedragsproblemen bij onbegeleid contact. De situatie van de minderjarige is sindsdien verbeterd. De moeder steunt de verlenging en vindt dat het kind goed op haar plek is bij de pleegouders. Het hof oordeelt dat de gronden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn en bekrachtigt de bestreden beschikking. De proceskosten worden gecompenseerd.