De zaak betreft een geschil tussen twee erfgenamen over de afwikkeling van de nalatenschap van hun vader, die in 2018 overleed. De kern van het geschil is of de legitieme portie van appellante is geschonden door giften aan geïntimeerde, of de waardering van onroerende zaken in de nalatenschap correct is, en of geïntimeerde een vergoeding moet betalen voor het gebruik van schuren en terreinen.
In eerste aanleg werd de vordering van geïntimeerde toegewezen en die van appellante afgewezen. In hoger beroep stelde appellante nieuwe vorderingen in, waaronder een beroep op haar legitieme portie en een vergoeding voor het gebruik van onroerende zaken. Het hof oordeelde dat appellante tijdig aanspraak heeft gemaakt op haar legitieme portie, maar dat deze niet is geschonden door de vermeende giften, omdat het gebruik van de schuren en terreinen niet exclusief was en geen verarming van de erflater opleverde.
Verder stelde het hof vast dat niet is komen vast te staan dat de koopprijs van de schuren en terreinen te laag was vastgesteld en dat de waardering door deskundigen correct was uitgevoerd volgens de gemaakte afspraken. Ook de vordering tot vergoeding van gebruik werd afgewezen vanwege gebrek aan bewijs van exclusief gebruik door geïntimeerde. Wel werd geïntimeerde veroordeeld tot betaling van de helft van de motorrijtuigenbelasting. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank met uitzondering van de beslissingen over de legitieme portie en motorrijtuigenbelasting en compenseerde de proceskosten.