Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2024:5935

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
19 september 2024
Zaaknummer
23/614
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:68 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken rechtsgeldige machtiging bij BPM-naheffing

In deze zaak is belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) nageheven op een gebruikte BMW X5 uit het buitenland. Tegen de naheffingsaanslag is bezwaar gemaakt, waarna beroep is ingesteld bij de rechtbank. Vervolgens heeft [naam1] namens [belanghebbende] hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.

Tijdens het hoger beroep bleek dat de machtiging die [naam1] had overgelegd om namens [belanghebbende] op te treden, niet rechtsgeldig was. De handtekening op de machtiging kwam niet overeen met de handtekening op de aangifte BPM. [naam1] erkende dat de machtiging valselijk was opgemaakt, waarmee het hof concludeerde dat er geen geldige volmacht was.

Het hof oordeelde dat het ernstig is dat met de valse machtiging het hof op het verkeerde been is gezet en dat het niet passend is om alsnog een geldige machtiging te laten overleggen. Daarom verklaarde het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 17 september 2024.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtsgeldige machtiging.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/614
uitspraakdatum: 17 september 2024
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[naam1]te [plaats1]
tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 27 januari 2023, nummer LEE 21/3265, in het geding tussen [belanghebbende] (hierna: [belanghebbende] ) en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Van [belanghebbende] is belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) nageheven.
1.2.
Daartegen is bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft op dat bezwaar beslist.
1.3.
Tegen de uitspraak van de Inspecteur is beroep ingesteld. De Rechtbank heeft op dit beroep beslist.
1.4.
[naam1] heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. [naam1] heeft schriftelijk op het incidenteel hoger beroep gereageerd.
1.6.
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2024. Daarbij is [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam2] en [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht. Ter zitting heeft de Inspecteur zijn incidentele hoger beroep uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken.
1.7.
[naam1] heeft na het sluiten van het onderzoek ter zitting per brief van 21 augustus 2024 een nader stuk ingestuurd. Het Hof heeft daarin geen aanleiding gezien het vooronderzoek op de voet van artikel 8:68 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te heropenen.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Op naam van [belanghebbende] is aangifte BPM gedaan voor een gebruikte, uit het buitenland afkomstige, BMW X5 xDrive40i High Executive. Deze aangifte is op 23 januari 2020 door de Inspecteur ontvangen. De aangifte is met de volgende handtekening ondertekend:
2.2.
De Inspecteur heeft een ‘onderzoek waardebepaling’ laten doen door een medewerker van Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Naar aanleiding van dat onderzoek heeft hij met dagtekening 17 juni 2020 de onderhavige naheffingsaanslag BPM aan [belanghebbende] opgelegd.
2.3.
[naam1] heeft daartegen rechtsmiddelen aangewend (bezwaar, beroep en hoger beroep). Bij het bezwaar-, beroep- en hogerberoepschrift is een machtiging gevoegd, met de volgende handtekening:

3.Beoordeling ontvankelijkheid hoger beroep

3.1.
Het Hof constateert dat de handtekening op de in hoger beroep overgelegde machtiging, zoals weergegeven in 2.3, niet overeenkomt met de handtekening die door [belanghebbende] onder de aangifte BPM is gezet (zie 2.1). De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep daarop gewezen. Mede naar aanleiding hiervan heeft het Hof tijdens het onderzoek ter zitting [naam1] beide handtekeningen voorgehouden. Daarop heeft hij erkend dat de handtekening op de door hem verstrekte machtiging niet overeenkomt met die op de aangifte en dus valselijk is opgemaakt.
3.2.
Uit het voorgaande volgt de conclusie dat de in hoger beroep overgelegde machtiging niet rechtsgeldig is. Ook anderszins is niet gebleken dat [naam1] bevoegd is om in deze zaak namens [belanghebbende] hoger beroep in te stellen. In aanmerking genomen dat [naam1] desgevraagd heeft erkend dat de in hoger beroep overgelegde machtiging valselijk is opgemaakt, en kennelijk met het overleggen van die machtiging het Hof op het verkeerde been heeft willen zetten, zal het Hof [naam1] niet de gelegenheid bieden alsnog een rechtsgeldige machtiging over te leggen. Het pretenderen wel rechtsgeldig gemachtigd te zijn om hoger beroep in te stellen, vormt immers een dusdanige ernstige schending van de fundamentele beginselen van het procesrecht, dat die gelegenheid niet passend zou zijn.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep niet-ontvankelijk

4.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten nu niet rechtsgeldig hoger beroep is ingesteld.

5.Beslissing

Het Hof verklaart het door [naam1] ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. T.H.J. Verhagen, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2024
De griffier, De voorzitter,
(G.J. van de Lagemaat) (R. den Ouden)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 19 september 2024
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.