Belanghebbende is in hoger beroep gekomen tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland die de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2013 tot en met 2015 heeft verminderd. De kern van het geschil betreft de vraag of het landhuis [naam6] dat via huurovereenkomsten door [naam5] B.V. wordt verhuurd, als een ter beschikking gesteld vermogensbestanddeel in de zin van artikel 3.92 van de Wet IB 2001 moet worden aangemerkt.
De rechtbank oordeelde dat geen sprake is van terbeschikkingstelling omdat de economische realiteit wijst op een intermediaire rol van [naam5], die slechts een beperkte rol vervult bij de verhuur en daarvoor een vergoeding ontvangt. Het hof bevestigt dit oordeel en stelt dat de huurovereenkomsten op naam van [naam5] onvoldoende zijn om te concluderen dat belanghebbende het vermogensbestanddeel aan [naam5] ter beschikking heeft gesteld. De feitelijke opbrengsten en risico’s, waaronder het leegstandsrisico, blijven voor 85% bij belanghebbende en haar echtgenoot.
De Inspecteur had de aanslagen verhoogd door het terbeschikkingstellingsresultaat te corrigeren en het landhuis inclusief schuld tot box 3 te rekenen. Het hof acht dit niet onjuist, maar stelt dat de aanslagen na vermindering door de rechtbank terecht zijn vastgesteld. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het hof wijst de proceskostenveroordeling af.