Belanghebbende B.V. was aangeslagen voor de zuiveringsheffing over 2020 en maakte bezwaar tegen de aanslag, voornamelijk op basis van WOZ-gerelateerde grieven. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde de aanslag. De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, kende echter een immateriële schadevergoeding van €50 toe wegens een overschrijding van de redelijke termijn.
Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de immateriële schadevergoeding te laag was en dat ook griffierecht en proceskosten vergoed moesten worden. Het Hof overwoog dat het financiële belang van de procedure gering was en dat belanghebbende niet had aangetoond dat het belang boven de bagatelgrens van €15 uitkwam. Ook werd benadrukt dat nevenbeslissingen zoals vergoeding van proceskosten en griffierecht niet meewegen bij de bepaling van het financiële belang.
Het Hof concludeerde dat de Rechtbank ten onrechte een immateriële schadevergoeding van €50 toekende, maar deze beslissing bleef in stand omdat de heffingsambtenaar dit niet bestreed. Voor het hoger beroep was geen overschrijding van de redelijke termijn, zodat geen vergoeding voor immateriële schade werd toegekend. Vergoeding van griffierecht en proceskosten werd afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.