AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging sanctie vasthouden mobiel apparaat tijdens rijden ondanks privacy-inmenging
De betrokkene kreeg een sanctie van €350 opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 23 september 2022. De betrokkene stelde dat het vastleggen van haar gezicht op de foto’s een onrechtmatige inmenging in haar privacy vormde, omdat dit niet nodig was voor het vaststellen van de overtreding. Het hof overwoog dat het gezicht herkenbaar was vastgelegd, waardoor sprake was van een inmenging in het recht op respect voor het privéleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRMPro.
Echter oordeelde het hof dat deze inmenging toelaatbaar was omdat zij bij wet was voorzien (Politiewet 2012, Wegenverkeerswet 1994) en noodzakelijk was in een democratische samenleving ter handhaving van de verkeersveiligheid. De gebruikte camera en software maakten het mogelijk om bestuurders die een mobiel apparaat vasthouden te identificeren. Het zwart gemaakte vlak aan de bijrijderskant beperkte de inmenging tot het strikt noodzakelijke.
De kantonrechter had terecht geoordeeld dat de foto’s gebruikt mochten worden voor de vaststelling van de gedraging. De uiterlijke kenmerken van het vastgehouden voorwerp en de wijze van vasthouden lieten geen twijfel dat het een mobiele telefoon betrof. Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €350 voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.327.460/01
CJIB-nummer
: 252602913
Uitspraak d.d.
: 25 januari 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 21 april 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 350,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 september 2022 om 13.32 uur op de A73 links in Sint Odiliënberg met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het voor het vaststellen van de gedraging niet nodig was om de persoonsgegevens c.q. afbeelding van het gezicht in het kader van de onderhavige sanctie te verzamelen en op te slaan. Het gezicht hoeft niet op de foto voor het constateren van de gedraging en de sanctie wordt opgelegd aan de kentekenhouder. Deze inmenging in het privéleven is niet toelaatbaar. De gemachtigde wijst op het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:286. Een meer specifieke wettelijke grondslag is nodig dan de veel te algemene bepalingen die de kantonrechter en de advocaat-generaal aanhalen, aldus de gemachtigde. De gemachtigde heeft een document van het openbaar ministerie en de politie d.d. 16 augustus 2021 met als titel “ANPR-foto’s en het daarvan te maken gebruik in de opsporing en de bewijsvoering” overgelegd. Het hof begrijpt de gemachtigde zo dat de in het dossier aanwezige foto’s niet voor de vaststelling van de gedraging mogen worden gebruikt.
3. De advocaat-generaal stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat van schending van artikel 8 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geen sprake is, nu artikel 3 vanPro de Politiewet 2012 een wettelijke basis voor de geringe schending van de privacy biedt.
4. De advocaat-generaal heeft bij het verweerschrift een document genaamd “Reactie op het verzoek om een voorafgaande raadpleging als bedoeld in artikel 33b lid 4 van de Wpg van Politie Eenheid Midden-Nederland inzake de voorgenomen verwerking inzake de MoNoCam; z2019-12179” overgelegd. Hierin wordt de onderhavige werkwijze als volgt - zakelijk weergegeven - omschreven. De MoNoCam is een camera en betreft een mobiele opstelling. De camera maakt een livestream van voorbijrijdende motorvoertuigen op zodanige wijze dat de inzittenden zichtbaar zijn. Deze livestream wordt getoond op een met de camera verbonden laptop. De beelden worden vervolgens met behulp van software, waarbij gebruik wordt gemaakt van artificial intelligence, geanalyseerd. Als daaruit volgt dat de bestuurder mogelijk een mobiel elektronisch apparaat vasthoudt, wordt door de software een document met vier foto’s van het voertuig opgemaakt, waaronder een foto van het kenteken. Dat document wordt daarna beoordeeld door een ambtenaar. Als de ambtenaar ook concludeert dat de bestuurder een mobiel elektronisch apparaat vasthoudt, terwijl de bestuurder met het voertuig rijdt en derhalve een overtreding begaat, maakt de ambtenaar een bon aan in de zogenaamde Digibon-app op een smartphone. Hierbij wordt door middel van een beveiligde internetverbinding en bestandsuitwisselingsservice het door de MoNoCam gemaakte document gevoegd. De bon met bijlagen wordt ter verdere afhandeling naar het CJIB verzonden via het bestaande verwerkingsproces. In het verweerschrift brengt de advocaat-generaal naar voren dat nadat een tweede ambtenaar onafhankelijk van de eerste ambtenaar eveneens constateert dat er sprake is van een overtreding de ambtenaar de gegevens verstuurt naar het CJIB. Het CJIB verstuurt daarna de inleidende beschikking naar de kentekenhouder van het voertuig.
5. Artikel 159 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt:
“Met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld bij of krachtens deze wet, zijn belast:
a. de in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen;
b. de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ambtenaren van de Rijksbelastingdienst, van de Rijks- en de provinciale waterstaat, van de Dienst Wegverkeer en van de verkeersinspecties, een en ander voor zover bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald;
c. de in de artikelen 87 en 89 van de Wet personenvervoer 2000 bedoelde personen, voor zover het betreft de eisen die met betrekking tot voertuigen als bedoeld in die wet worden gesteld bij of krachtens deze wet.”
“De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.”
“1. Met het toezicht op de naleving van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften zijn belast de bij algemene maartregel van bestuur aangewezen ambtenaren.
2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie ter zake van de door hen of op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen”.
“1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”
9. Voor beantwoording van de vraag of sprake is van inmenging in de uitoefening van het recht van de bestuurster op respect voor haar privéleven als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM is van belang dat in de onderhavige zaak sprake is van het met behulp van een camerasysteem vastleggen op foto’s van de bestuurster, het voertuig en het kenteken van het voertuig. Het hof is gelet op gehanteerde werkwijze die hiervoor onder 4. is uiteengezet van oordeel dat in de onderhavige zaak sprake is van inmenging in de uitoefening van het recht van de bestuurster op respect voor haar privéleven als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM (vgl. het arrest van het hof van 20 oktober 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:9905).
10. Artikel 8, tweede lid, van het EVRM schrijft voor dat, indien een inmenging aan de orde is, deze bij wet moet zijn voorzien en noodzakelijk moet zijn in een democratische samenleving. Het hof is van oordeel dat de inmenging in de uitoefening van het recht van de bestuurster op respect voor haar privéleven in casu toelaatbaar is. In artikel 3 vanPro de Politiewet 2012 en artikel 159 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 is een toereikende wettelijke grondslag aanwezig. Het gebruik en de verwerking van de onderhavige gegevens is in dit geval gebaseerd op de algemene controletaak van de politie (vgl. voormeld arrest van het hof van 20 oktober 2021). De desbetreffende inmenging is noodzakelijk ter opsporing van bestuurders die tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden. Aangezien bestuurders mobiele elektronische apparaten veelal dichtbij hun gezicht en in het bijzonder hun oren en/of mond vasthouden, is het niet goed mogelijk de gedraging vast te stellen zonder het gezicht van de bestuurder in beeld te brengen. Het hof stelt vast dat alleen de bestuurster van het voertuig op de foto’s is te zien. Een eventuele bijrijder is niet te zien doordat een zwart vlak aan de bijrijderskant is aangebracht, zodat de inmenging niet verder gaat dan strikt noodzakelijk voor het vaststellen van de desbetreffende gedraging. De foto’s worden slechts gebruikt voor het vaststellen van de gedraging en niet voor het vaststellen van de identiteit van de bestuurder van het voertuig. De sanctie wordt opgelegd aan de kentekenhouder van het voertuig, hetgeen niet ongebruikelijk is in het kader van de Wahv. Dat de sanctie aan de kentekenhouder wordt opgelegd en de kentekenhouder daardoor op de hoogte raakt van wie van zijn voertuig gebruik maakt en dat met zijn voertuig een overtreding is begaan, maakt het voorgaande niet anders. De kentekenhouder zal zich er doorgaans bewust van zijn wie van zijn voertuig gebruik maakt.
11. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag met een camerasysteem op basis van twee beelden met een tussentijd van 0,125 seconden dat de bestuurder van een voertuig tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vasthield. Ik heb daarbij duidelijk en onbelemmerd in het voertuig kunnen kijken. Doordat de overtreding met een camerasysteem is geconstateerd bestond er geen mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder. Daarom is er op kenteken bekeurd. (…)
Ter hoogte van hectometerpaal/pandnummer: 10,9 (…)
Bijlagen: een fotografische opname.”
12. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter terecht geoordeeld dat de foto’s voor de vaststelling van de gedraging mogen worden gebruikt.
13. Het dossier bevat foto’s waarop het voertuig met voormeld kenteken zichtbaar is. De gegevens in de databalk komen overeen met de gegevens in het zaakoverzicht. De bestuurster van het voertuig is door de voorruit van het voertuig gefotografeerd. Op de foto’s is te zien dat de bestuurster met haar linkerhand een mobiele telefoon vasthoudt ter hoogte van haar mond en het stuur van het voertuig. Het deel van de voorruit van het voertuig waar een bijrijder zich naast de bestuurster zou kunnen bevinden, is onzichtbaar gemaakt door een zwart vlak.
14. De gemachtigde voert voorts aan dat de vaststelling van de gedraging door de kantonrechter slechts op een vermoeden en niet op een constatering berust. Niet is vastgesteld dat het voorwerp een mobiel elektronisch apparaat is dat kan worden gebruikt voor communicatie of informatieverwerking. Uit de foto en de verklaring blijkt dat niet.
15. De kantonrechter heeft overwogen:
“Het vastgehouden voorwerp op de foto’s heeft de omvang van een mobiel elektronisch apparaat bestemd om langs elektronische weg gegevens op te slaan, te verwerken en over te dragen, te weten een mobiele telefoon. De bestuurder houdt het voorwerp op een wijze vast die gelijkenis toont met het vasthouden van een zodanig mobiel elektronisch apparaat tijdens het bellen en het luisteren van berichten. Verbalisant heeft terecht op basis van deze beelden geconstateerd dat rijdend een zodanig mobiel elektronisch apparaat is vastgehouden.”
16. Met voormelde overweging, waarin de kantonrechter heeft geoordeeld dat kan worden aangenomen dat het vastgehouden voorwerp op de foto’s, op basis waarvan de ambtenaar de sanctie heeft opgelegd, een mobiele telefoon is, heeft de kantonrechter naar het oordeel van het hof terecht vastgesteld dat de bestuurster tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat kan worden gebruikt voor communicatie of informatieverwerking, heeft vastgehouden. De uiterlijke kenmerken van het voorwerp dat de bestuurster vasthoudt en de wijze waarop zij dat doet, laten er naar het oordeel van het hof geen enkele twijfel over bestaan dat de bestuurster een mobiele telefoon met haar hand vasthoudt. Op grond van artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 wordt onder een mobiel elektronisch apparaat in elk geval verstaan een mobiele telefoon.
17. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Gegeven deze beslissing zal het hof het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, mr. Van Schuijlenburg en mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.