ECLI:NL:GHARL:2024:6615

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 oktober 2024
Publicatiedatum
28 oktober 2024
Zaaknummer
Wahv 200.340.291
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WahvArt. 6:6 AwbArt. 8:24 AwbArt. 13a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken deugdelijke machtiging in Wahv-procedure

In deze zaak is hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van een deugdelijke machtiging. De kantonrechter had vastgesteld dat de overgelegde volmacht niet was voorzien van een handtekening, noch een voldoende betrouwbare digitale handtekening, ondanks dat hiervoor een termijn was gesteld.

De appellant voerde aan dat hij zelf beroepsgerechtigd was en dat een machtiging niet vereist was, verwijzend naar eerdere jurisprudentie en artikel 9 van Pro de Wahv. Het hof oordeelt echter dat het administratief beroep door de betrokkene is ingesteld en dat alleen degene die het administratief beroep heeft ingesteld, beroep kan instellen bij de rechtbank. Omdat het beroep feitelijk door een ander is ingesteld, mocht de kantonrechter een schriftelijke machtiging verlangen.

De door appellant overgelegde volmacht voldeed niet aan de eisen, omdat deze niet was voorzien van een handtekening, maar slechts van namen en een digitale handtekening waarvan de authenticiteit onvoldoende was aangetoond. Het hof bevestigt daarom de beslissing van de kantonrechter en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een deugdelijke machtiging en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.340.291/01
CJIB-nummer
: 249101914
Uitspraak d.d.
: 25 oktober 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 7 november 2023, betreffende

mr. M. Lagas (hierna: Lagas),

kantoorhoudende te Amsterdam,
beweerdelijk optredende als gemachtigde voor

[de betrokkene] N.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

Lagas heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Na afloop van de schriftelijke fase is nog een e-mailbericht met bijlage van Lagas d.d. 25 juli 2024 ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat er in het dossier geen machtiging zit. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat Lagas ter zitting van 10 oktober 2023 in de gelegenheid is gesteld om binnen een redelijke termijn een machtiging in te dienen. De kantonrechter heeft geen machtiging ontvangen voorzien van een natte handtekening, zoals gevraagd, terwijl ook van een eventuele deugdelijke digitale handtekening onvoldoende blijkt. Gelet op de jurisprudentie van het hof over het stempelen van handtekeningen moeten aan een digitale handtekening dusdanige eisen worden gesteld dat er redelijkerwijs geen twijfel kan zijn over degenen die de handtekening zetten, aldus de kantonrechter.
2. Lagas stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter ten onrechte om een machtiging heeft verzocht en hij beroepsgerechtigd is. Hij beroept zich op het arrest van het hof van 11 december 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10790 alsmede het bepaalde in artikel 9 van Pro de Wahv en voert aan dat nu hij degene is die het administratief beroep heeft ingesteld hij degene is die beroep kan instellen bij de rechtbank. De kantonrechter kan zodoende geen schriftelijke machtiging van hem verlangen, althans de betrokkene hoeft deze niet te verstrekken, aldus Lagas.
3. Het hof stelt het volgende vast. De inleidende beschikking is aan [de betrokkene] N.V. gericht. Het administratief beroep is door Lagas (Appjection B.V.) namens [naam1] ingesteld. De officier van justitie heeft dit beroep aangemerkt als te zijn ingesteld namens de betrokkene, te weten [de betrokkene] N.V., zijnde de kentekenhouder van het betrokken voertuig aan wie de sanctie bij inleidende beschikking is opgelegd. Gelet hierop is het administratief beroep door [de betrokkene] N.V. ingesteld. Het administratief beroep is door de officier van justitie inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing is door Lagas beroep ingesteld bij de kantonrechter.
4. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wahv kan tegen de beslissing van de officier van justitie beroep worden ingesteld bij de rechtbank door degene die administratief beroep heeft ingesteld.
5. Gelet op de beslissing van de officier van justitie is het beroep bij de kantonrechter ingesteld namens de betrokkene. Hoewel dit beroep feitelijk is ingesteld door Lagas, is de betrokkene dus degene die administratief beroep heeft ingesteld en op grond van artikel 9, tweede lid van de Wahv gerechtigd is om beroep tegen die beslissing in te stellen. Het door Lagas gedane beroep op het arrest van het hof van 11 december 2018 gaat niet op, omdat in die zaak de officier van justitie het administratief beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat een geldige machtiging ontbrak en het aldus een situatie betrof waarin het administratief beroep werd geacht te zijn ingesteld op persoonlijke titel door de pretense gemachtigde, waardoor hij op die grond beroepsgerechtigd was om tegen die beslissing beroep in te stellen. Daarvan is in casu geen sprake.
6. Indien een ander dan de betrokkene beroep instelt, kan de kantonrechter naar analogie van artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van degene die het beroep heeft ingesteld een schriftelijke machtiging verlangen. Wordt de gevraagde machtiging niet verstrekt of voldoet de verstrekte machtiging niet aan de daaraan te stellen eisen, dan kan ingevolge het bepaalde in artikel 6:6 van Pro de Awb het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener van het beroep de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
7. Gelet op het voorgaande mocht de kantonrechter een machtiging verlangen waaruit blijkt dat Lagas gerechtigd is om namens de betrokkene beroep in te stellen. De door Lagas aangevoerde grond dat de kantonrechter geen schriftelijke machtiging van hem mocht verlangen, althans de betrokkene geen schriftelijke machtiging hoeft te verstrekken faalt.
8. Uit de beslissing van de kantonrechter, tevens houdende het opgemaakte proces-verbaal van de zitting van 10 oktober 2023 volgt dat de vertegenwoordiger van de officier van justitie melding heeft gemaakt van het ontbreken van een procesvolmacht, omdat de in het dossier aanwezige machtiging slechts geldig was tot januari 2023. De kantonrechter heeft vastgesteld dat het beroepschrift niet voldoet aan de gestelde voorwaarden en de betrokkene in de gelegenheid gesteld om na de behandeling van de zitting alsnog een machtiging in te dienen met als uiterste datum voor indiening van deze machtiging 24 oktober 2023.
9. In het dossier bevindt zich een e-mailbericht met bijlagen d.d. 23 oktober 2023 van Lagas, waarin wordt aangegeven dat de zich in de bijlage bevindende aanvullende machtiging van [de betrokkene] N.V. geldig is tot en met januari 2024 alsmede hoewel de kantonrechter verzocht om een machtiging met een “krabbeltje” een handtekening vormvrij is en de handtekening in de onderhavige machtiging is gezet via “Docusign” waarvan een screenshot is bijgevoegd.
10. Het hof stelt vast dat Lagas bij voornoemd e-mailbericht de volgende stukken heeft overgelegd. Een document met als titel “Volmacht”. Hierin is vermeld dat de directie van [de betrokkene] N.V. d.d. 8 januari 2023 verklaart van 11 januari 2023 tot en met 10 januari 2024 voor en namens [de betrokkene] N.V. aan Appjection B.V. een volmacht te verlenen. Onderaan deze volmacht zijn twee niet handgeschreven namen van de Managing Director en Finance Director vermeld. Verder is een uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 10 januari 2023 betreffende [de betrokkene] N.V. bijgevoegd. Daarbij is een stuk aangehecht waarop onder andere is te lezen “Een Adobe Acrobat Sign-transactie verifiëren”, “Gemaakt: 20-03-2017”.
11. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter tot het oordeel kunnen komen dat er geen sprake is van een deugdelijke machtiging, nu de door Lagas overgelegde volmacht niet is voorzien van een handtekening. De kantonrechter heeft aldus terecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De door Lagas aangevoerde grond dat hij beroepsgerechtigd is, slaagt derhalve niet.
12. Gezien vorenstaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Aan hetgeen is aangevoerd betreffende de inleidende beschikking komt het hof niet toe. Gegeven deze beslissing zal het hof het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen. Het hof komt nu een proceskostenvergoeding niet aan de orde is evenmin toe aan de aangevoerde grond met betrekking tot het per 1 januari 2024 gewijzigde artikel 13a, tweede lid, van de Wahv.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.