De Staat vorderde een verklaring voor recht dat hij aanspraak heeft op een deel van de fosfaatrechten die aan de erfpachter zijn toegekend na afloop van het erfpachtcontract uit 1982. De erfpacht liep af op 31 oktober 2021, maar de erfpachter zette het gebruik van de grond onafgebroken voort en kreeg per 1 november 2021 een nieuw erfpachtcontract voor 40 jaar.
De Staat baseerde zijn vordering op een analogie met de voorwaarden uit de arresten ASR/Qualm, die gelden voor overdracht van fosfaatrechten bij pachtovereenkomsten. Het hof oordeelde echter dat deze voorwaarden niet van toepassing zijn omdat het feitelijk gebruik van de grond niet is beëindigd en er geen sprake was van oplevering van de grond.
Daarmee ontbreekt de noodzakelijke voorwaarde voor een aanspraak op overdracht of vergoeding van fosfaatrechten. Het hof liet de vraag open of bij het einde van de lopende erfpacht in 2061 een dergelijke aanspraak kan ontstaan. De vordering van de Staat werd afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.