ECLI:NL:GHARL:2024:7200

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 november 2024
Publicatiedatum
22 november 2024
Zaaknummer
21-002030-20
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 OpiumwetArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid OM in ontnemingsvordering na vrijspraak verdachte

In deze zaak stond de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, voortvloeiend uit een tenlastelegging van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het verbod op hennepteelt volgens de Opiumwet. De verdachte was eerder in hoger beroep volledig vrijgesproken van deze tenlastelegging door het hof bij arrest van 14 september 2022.

Het openbaar ministerie stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 16 juni 2020, waarin de ontnemingsvordering was toegewezen. Tijdens de terechtzitting van 8 november 2024 heeft het hof kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de ontnemingsvordering.

Het hof overweegt dat de grondslag van de ontnemingsvordering is komen te vervallen door de onherroepelijke vrijspraak van de verdachte. Daarom verklaart het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en vernietigt het het vonnis waarvan beroep, waarna het opnieuw recht doet met deze beslissing.

Uitkomst: Het hof verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering wegens vervallen grondslag na vrijspraak.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002030-20
Uitspraak d.d.: 22 november 2024
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 16 juni 2020 met parketnummer 18-930012-19 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[betrokkene]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 november 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie in de ontnemingsvordering. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door betrokkene naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Betrokkene is bij onherroepelijk geworden arrest van dit hof van 14 september 2022 (parketnummer 21-002046-20) vrijgesproken van het tenlastegelegde, te weten het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B en C van de Opiumwet gegeven verbod (hennepteelt).
Het hof overweegt dat nu betrokkene in hoger beroep algeheel is vrijgesproken ter zake van het hem tenlastegelegde de grondslag aan de ontnemingsvordering is komen te vervallen. Het hof is daarom van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Aldus gewezen door
mr. L.T. Wemes, voorzitter,
mr. J.A.M. Kwakman en mr. F.E.J. Goffin, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. Brink, griffier,
en op 22 november 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.