ECLI:NL:GHARL:2024:7347

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 november 2024
Publicatiedatum
27 november 2024
Zaaknummer
23/101
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.1 WaterwetArt. 3.2a WaterwetArt. 1 WaterschapswetArt. 2 WaterschapswetArt. 4 Reglement Waterschap
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt onbevoegdheid waterschap voor watersysteemheffing op IJsselmeerpercelen

Belanghebbende was zakelijk gerechtigde van percelen gelegen in het IJsselmeer, waarvoor het waterschap [naam1] aanslagen watersysteemheffing had opgelegd. De rechtbank Overijssel vernietigde deze aanslagen en verklaarde het beroep gegrond, omdat het waterschap niet bevoegd was tot heffing over deze percelen.

De heffingsambtenaar stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Het geschil betrof de vraag of het waterschap het gebied van het IJsselmeer mocht rekenen tot haar beheersgebied voor watersysteemheffing. Het hof oordeelde dat het IJsselmeer exclusief onder het beheer van het Rijk valt, zoals ook bevestigd in het Waddenzee-arrest van de Hoge Raad.

Het hof stelde vast dat het reglement van het waterschap geen ministeriële aanwijzing is en dus niet afdoet aan de exclusieve rijksbevoegdheid. Ook de Keur van het waterschap kon geen uitbreiding van het beheersgebied creëren. De verordening die het IJsselmeer tot het waterschapsgebied rekent, is daarom onverbindend.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende. De uitspraak bevestigt dat provinciale staten geen bevoegdheid hebben om gebieden aan te wijzen die exclusief onder rijkswatersysteembeheer vallen.

Uitkomst: Het hoger beroep van de heffingsambtenaar wordt ongegrond verklaard en de aanslagen watersysteemheffing vernietigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/101
uitspraakdatum: 26 november 2024

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van
de heffingsambtenaar van het gemeenschappelijk belastingkantoor Lococensus-Tricijn (GBLT)(hierna: de heffingsambtenaar)
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 18 november 2022, nummer ZWO 22/549, ECLI:NL:RBOVE:2022:3433, in het geding tussen
[belanghebbende]te
[plaats1](hierna: belanghebbende)
en de heffingsambtenaar

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2021 aanslagen in de watersysteemheffing van het waterschap [naam1] opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de heffingsambtenaar vernietigd en de aanslagen vernietigd.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2024. Namens de heffingsambtenaar zijn verschenen [naam2] , [naam3] , [naam4] en [naam5] . Namens belanghebbende zijn verschenen [naam6] , [naam7] en [naam8] , bijgestaan door [naam9] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende is zakelijk gerechtigde tot een aantal percelen in [naam10] (hierna: de percelen). De percelen waarop deze procedure betrekking heeft zijn gelegen in rijkswater (Bijlage II bij het Waterbesluit [1] ).
2.2.
[naam11] , [naam12] en [naam13] hebben het Reglement voor het Waterschap [naam1] 2008 (hierna: het Reglement respectievelijk het Waterschap) vastgesteld. Daarin is bepaald dat de taak van het Waterschap is de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied, voor zover deze taak niet aan andere publiekrechtelijke lichamen is opgedragen (artikel 4, eerste lid, van het Reglement). Het gebied van het Waterschap is aangeduid op een bij het Reglement behorende kaart (artikel 2, tweede lid, van het Reglement) en omvat mede gedeelten van [naam10] .

3.Het geschil

3.1.
In geschil is of het Waterschap bevoegd is de percelen te betrekken in de watersysteemheffing.
3.2.
De heffingsambtenaar vindt van wel, omdat de percelen zijn gelegen in het gebied van het Waterschap.
3.3.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de percelen zijn gelegen in een gebied waar het watersysteembeheer exclusief bij het Rijk berust. De aanwijzing van het gebied van het Waterschap is naar haar mening in zoverre onverbindend. Zij verwijst in dit verband naar het Waddenzee-arrest (HR 22 juni 2018, nr. 17/00393, ECLI:NL:HR:2018:959).

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
In artikel 3.1, eerste lid, van de Waterwet is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur de watersystemen worden aangewezen die volledig dan wel met uitzondering van daarbij aangewezen onderdelen bij het Rijk in beheer zijn. Dit is gebeurd in het Waterbesluit. In het zesde lid is bepaald dat bij ministeriële regeling niet tot het Rijk behorende overheidslichamen kunnen worden aangewezen die geheel of gedeeltelijk zijn belast met het beheer van daarbij aangewezen rijkswateren.
4.2.
In artikel 3.2a van de Waterwet staat dat het waterschap zo goed mogelijk zorgdraagt voor het voorkomen van schade aan waterstaatswerken veroorzaakt door muskus- en beverratten.
4.3.
Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Waterschapswet zijn waterschappen openbare lichamen die de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied ten doel hebben. De ingevolge het tweede lid tot dat doel aan de waterschappen opgedragen taken betreffen de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van het afvalwater. Daarnaast kan de zorg voor een of meer waterstaatsaangelegenheden zijn of worden opgedragen. Op grond van het derde lid omvat de zorg voor het watersysteem mede het voorkomen van schade aan waterstaatswerken veroorzaakt door muskus- en beverratten als bedoeld in artikel 3.2a van de Waterwet.
4.4.
In artikel 2, eerste lid, van de Waterschapswet is de bevoegdheid tot het opheffen en instellen van waterschappen en tot regeling van hun gebied en taken opgedragen aan provinciale staten. In het tweede lid is bepaald dat taken als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Waterschapswet aan waterschappen opgedragen worden tenzij dit niet verenigbaar is met het belang van een goede organisatie van de waterstaatkundige verzorging.
4.5.
In artikel 4, eerste lid, van het Reglement is aan het Waterschap de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied opgedragen voor zover geen ander publiekrechtelijk lichaam met deze taak is belast. Deze aan het Waterschap opgedragen taak omvat ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater, terwijl het gebied waarin die taak dient te worden vervuld in artikel 2 van Pro het Reglement is aangeduid door verwijzing naar bij het Reglement gevoegde kaarten.
4.6.
Deze in het Reglement opgenomen taakomschrijving is niet aan te merken als een aanwijzing van het Waterschap in verband met de uitvoering van beheerstaken naast of in samenwerking met het Rijk op grond van artikel 3.1, zesde lid, van de Waterwet, omdat een dergelijke aanwijzing bij ministeriële regeling plaatsheeft. Daarom kan uit het Reglement niet worden afgeleid dat de beheerstaak van het Waterschap zich uitstrekt tot [naam10] of dat het Reglement anderszins afbreuk doet aan de exclusieve aanwijzing krachtens artikel 3.1 van het Waterbesluit van het Rijk als watersysteembeheerder van [naam10] .
4.7.
De heffingsambtenaar wijst erop dat het watersysteembeheer mede omvat het voorkomen van schade aan waterstaatswerken veroorzaakt door muskus- en beverratten (artikel 1, derde lid, van de Waterschapswet) en dat dit behoort tot de taak van het Waterschap (artikel 3.2a van de Waterwet). Belanghebbende wijst erop dat deze bepalingen de Hoge Raad niet hebben belet in het Waddenzee-arrest te oordelen dat het watersysteembeheer van de Waddenzee exclusief berust bij het Rijk. Met belanghebbende is het Hof van oordeel dat het Waddenzee-arrest niet anders kan worden gelezen dan dat de bepalingen over de bestrijding van ratten niet meebrengen dat Provinciale Staten bevoegd zijn om het gebied van [naam10] aan te wijzen als gebied van het Waterschap.
4.8.
De heffingsambtenaar wijst er verder op dat de door het Waterschap vastgestelde Keur Waterschap [naam1] 2017 ook betrekking heeft op de zogenoemde beschermingszones als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet. Naar het oordeel van het Hof brengt deze omstandigheid niet mee dat het watersysteembeheer van het Waterschap zich mede uitstrekt tot deze beschermingszones, omdat een Keur geen gebieden of taken van watersysteembeheer in het leven kan roepen.
4.9.
Provinciale staten zijn op grond van artikel 2 van Pro de Waterschapswet bevoegd tot het vaststellen van het gebied van het waterschap, maar dat gebied kan niet omvatten gedeelten van het provinciaal gebied waarin het watersysteembeheer exclusief berust bij het Rijk en ten aanzien waarvan het waterschap geen taak heeft. [naam10] kan dan ook niet tot het gebied van het Waterschap worden gerekend. De Verordening, waarin is bepaald dat [naam10] behoort tot het gebied van het Waterschap, is daarom in zoverre onverbindend.
4.10.
De heffingsambtenaar vraagt zich ten slotte af welke mogelijkheden hij dan wel heeft om het muskus- en beverrattenbeheer op de in geding zijnde percelen te bekostigen. Het is evenwel niet aan de belastingrechter om daarover een uitspraak te doen.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Proceskosten

Het Hof ziet aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.750 (2 punten (verweerschrift, bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 875).

6.Beslissing

Het Hof:
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.750 en
– bepaalt dat van de heffingsambtenaar op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 548.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. J.M.W. van de Sande, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is op 26 november 2024 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(E.D. Postema) (J. van de Merwe)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Waar in deze uitspraak wordt verwezen naar wettelijke bepalingen, zijn de bepalingen bedoeld die golden in 2021.