Belanghebbende was zakelijk gerechtigde van percelen gelegen in het IJsselmeer, waarvoor het waterschap [naam1] aanslagen watersysteemheffing had opgelegd. De rechtbank Overijssel vernietigde deze aanslagen en verklaarde het beroep gegrond, omdat het waterschap niet bevoegd was tot heffing over deze percelen.
De heffingsambtenaar stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Het geschil betrof de vraag of het waterschap het gebied van het IJsselmeer mocht rekenen tot haar beheersgebied voor watersysteemheffing. Het hof oordeelde dat het IJsselmeer exclusief onder het beheer van het Rijk valt, zoals ook bevestigd in het Waddenzee-arrest van de Hoge Raad.
Het hof stelde vast dat het reglement van het waterschap geen ministeriële aanwijzing is en dus niet afdoet aan de exclusieve rijksbevoegdheid. Ook de Keur van het waterschap kon geen uitbreiding van het beheersgebied creëren. De verordening die het IJsselmeer tot het waterschapsgebied rekent, is daarom onverbindend.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende. De uitspraak bevestigt dat provinciale staten geen bevoegdheid hebben om gebieden aan te wijzen die exclusief onder rijkswatersysteembeheer vallen.