Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of het door appellant verrichte werk als meerwerk kon worden aangemerkt en of de vordering tot betaling daarvan terecht was. Het hof heeft de bewijsvoering van appellant toegelaten en beoordeeld per post, waarbij het aannemelijk werd geacht dat het werk aan inbouwkranen, muurplaten en draingoten als meerwerk was uitgevoerd. De kosten voor het plaatsen van een wc en een rit naar Groningen werden deels in mindering gebracht.
De procedure kende een uitgebreid verloop met getuigenverhoren en memorie-uitwisselingen na het arrest van november 2023. Het hof oordeelde dat de meerwerkfactuur grotendeels terecht was en dat de prijsverhoging gezien de aard en omvang van het werk door geïntimeerde begrepen had moeten worden.
Daarnaast werd het opschortingsrecht besproken: geïntimeerde was vanaf de vervaldatum van de factuur in verzuim, waardoor appellant het werk mocht opschorten en zelf niet meer in verzuim kon raken. De vordering tot vervangende schadevergoeding van geïntimeerde werd afgewezen wegens het ontbreken van een geldige omzettingsverklaring.
Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter, veroordeelde geïntimeerde tot betaling van € 2.465,94 vermeerderd met wettelijke rente, en legde proceskostenveroordelingen op. Het arrest werd op 3 december 2024 uitgesproken.
Uitkomst: Geïntimeerde wordt veroordeeld tot betaling van € 2.465,94 meerwerkvergoeding vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.