ECLI:NL:GHARL:2024:7515

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 november 2024
Publicatiedatum
4 december 2024
Zaaknummer
21-000213-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling penitentiair inrichtingswerker tijdens dienst

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf wegens mishandeling van een penitentiair inrichtingswerker. In hoger beroep vernietigt het hof dit vonnis en legt een taakstraf van 100 uur op, subsidiair 50 dagen hechtenis, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van drie jaar.

De mishandeling vond plaats op 12 januari 2023 in een penitentiaire inrichting, waar verdachte de penitentiair inrichtingswerker met de vlakke hand in het gezicht sloeg tijdens diens rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Verdachte weigerde mee te werken aan zijn insluiting omdat hij zijn telefoongesprek wilde voortzetten, ondanks meerdere waarschuwingen.

Het hof acht het bewezen dat verdachte het misdrijf heeft gepleegd en wijst op het lichamelijk letsel dat het slachtoffer opliep, namelijk een voortdurende pieptoon in het oor. Verdachte heeft eerder soortgelijke strafbare feiten gepleegd, wat meeweegt in de strafoplegging.

Het hof wijkt af van het LOVS-oriëntatiepunt van een geldboete van €750 vanwege de ernst en context van de mishandeling binnen een penitentiaire inrichting. De straf is passend geacht gezien de omstandigheden en eerdere veroordelingen van verdachte.

Het vonnis is op 28 november 2024 door het hof Arnhem-Leeuwarden uitgesproken en vervangt het eerdere vonnis van de politierechter.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 100 uur taakstraf, subsidiair 50 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van drie jaar.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000213-24
Uitspraak d.d.: 28 november 2024
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 15 januari 2024 met parketnummer 18-136685-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1989,
verblijvende te [postcode] [plaats] , [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 november 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,
mr. R. Tetteroo, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte veroordeeld ten aanzien van de tenlastegelegde mishandeling tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 12 januari 2023 te [plaats] , [gemeente] , een ambtenaar, [naam] , penitentiair inrichtingswerker, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door deze [naam] , in het gezicht, te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat hetgeen verdachte ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 12 januari 2023 te [plaats] , [gemeente] , een ambtenaar, [naam] , penitentiair inrichtingswerker, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door deze [naam] , in het gezicht, te slaan.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft hierbij in het bijzonder het navolgende in ogenschouw genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van aangever gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als een penitentiair inrichtingswerker door hem met zijn vlakke hand in het gezicht te slaan. Aangever diende verdachte in te sluiten in zijn cel, maar verdachte wilde hier niet aan meewerken, omdat hij zijn telefoongesprek wilde voortzetten, zelfs niet nadat de penitentiair inrichtingswerker hem al meerdere keren respijt had gegeven. Het is echter niet aan verdachte om de gang van zaken in de penitentiaire inrichting te dicteren, maar om zich als gedetineerde te houden aan de regels binnen de penitentiaire inrichting en aan wat de penitentiaire inrichtingswerkers binnen het kader van de geldende regels van hem vragen. Verdachte heeft zich niet alleen opstandig gedragen, maar ook aangever, die niets anders deed dan zijn werkzaamheden uitvoeren, mishandeld door hem met kracht met de vlakke hand in het gezicht te slaan. Hierdoor heeft verdachte een inbreuk gemaakt op aangevers lichamelijke integriteit en laten zien geen enkel respect te hebben voor het gezag in de penitentiaire inrichting. Bovendien heeft aangever ten gevolge van het slaan van verdachte lichamelijk letsel overgehouden in de vorm van een voortdurende pieptoon in het oor.
Het hof weegt bij de strafoplegging mee het uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 oktober 2024 van verdachte. Hieruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten.
Het hof heeft verder acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waaruit blijkt dat een geldboete van € 750,00 in beginsel het vertrekpunt is bij een mishandeling zonder slagwapen en met lichamelijk letsel tot gevolg. De LOVS-oriëntatiepunten bieden echter de ruimte om de in het oriëntatiepunt genoemde straf te verhogen indien de omstandigheden van het geval daarom vragen. In deze zaak zijn dergelijke omstandigheden aanwezig, nu sprake is geweest van een grove mishandeling in een penitentiaire inrichting van een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Het hof ziet daarin en in het hiervoor overwogene over de context waarbinnen de mishandeling heeft plaatsgevonden en het gegeven dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten aanleiding om van het LOVS-oriëntatiepunt af te wijken.
Gelet op het hiervoor overwogene acht het hof passend en geboden de oplegging van een taakstaf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van drie jaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaartzoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaartniet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaarthet bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeeltde verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Bepaaltdat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeeltde verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
50 (vijftig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door
mr. E.W. van Weringh, voorzitter,
mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. F.E.J. Goffin, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.C. Bita, griffier,
en op 28 november 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.