Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellante],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellante is in 2022 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Tijdens de regeling heeft haar partner, ondanks arbeidsongeschiktheid, zeven maanden lang extra inkomsten verdiend bij een andere werkgever, zonder dit te melden aan de bewindvoerder. Deze inkomsten werden bovendien op een rekening van haar moeder gestort, waardoor de bewindvoerder niet kon controleren wat er met het geld gebeurde.
De rechtbank beëindigde de schuldsaneringsregeling tussentijds wegens niet-naleving van verplichtingen, waaronder het verzwijgen van inkomen, het niet afdragen van inkomen boven het vrij te laten bedrag, het ontstaan van nieuwe schulden en het niet voldoen aan sollicitatieverplichtingen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat sprake was van noodtoestand en overmacht en dat er geen benadeling van schuldeisers was, maar het hof oordeelde dat deze stellingen onvoldoende waren onderbouwd.
Het hof stelde vast dat appellante bewust en langdurig de inlichtingenplicht heeft geschonden en te kwader trouw is geweest. Er was geen grond voor verlenging van de regeling omdat de bewindvoerder onvoldoende inzicht kreeg in de financiële situatie en de schuldeisers mogelijk benadeeld zijn. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek tot verlenging af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling en wijst het verzoek tot verlenging af.