In deze civiele zaak is in hoger beroep beoordeeld of verhuurder ([geïntimeerden]) terecht toestemming voor verhuur van een vakantiehuis op een vakantiepark aan derden onthoudt aan de eigenaar ([appellant]). De eigenaar wil zijn vakantiehuis kunnen verhuren zonder de beperkingen die verhuurder stelt, zoals alleen kortdurende verhuur aan vrienden of kennissen.
De gebruiksovereenkomst uit 2005 bevat een verhuurbeding die verhuur aan derden onder toestemming van verhuurder stelt. Het hof oordeelt dat deze bepaling een discretionaire bevoegdheid aan verhuurder geeft om toestemming te weigeren, mits dit niet onredelijk is. Verhuurder mag toestemming weigeren bij een gegrond vermoeden dat verhuur leidt tot verstoring van rust en privacy op het park.
Het hof vernietigt de eerdere uitspraak voor zover verhuurder verplicht werd toestemming te geven voor kortdurende verhuur aan vrienden of kennissen, en verklaart dat verhuurder binnen drie werkdagen schriftelijk gemotiveerd moet beslissen over verhuurverzoeken. Tevens bevestigt het hof dat de voorwaarden van de 2005-overeenkomst van toepassing zijn. De vorderingen van appellant worden deels toegewezen en deels afgewezen, en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.