ECLI:NL:GHARL:2024:7790

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 december 2024
Publicatiedatum
17 december 2024
Zaaknummer
Wahv 200.344.813/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 11 lid 5 WahvArt. 160 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor weigering medewerking speekseltest bij verkeerscontrole

De betrokkene werd op 4 januari 2023 tijdens een verkeerscontrole in Alkmaar gesanctioneerd met een boete van €250 wegens het niet meewerken aan een speekseltest. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

In hoger beroep voerde de gemachtigde van de betrokkene aan dat er geen zaakoverzicht was verstrekt en dat aanvullend bewijsmateriaal niet tijdig was overgelegd, wat een schending van artikel 6 EVRM Pro zou betekenen. Tevens werd betoogd dat er geen aanleiding was voor het afnemen van de speekseltest en dat het bewijs rond moest zijn in de bezwaarfase.

Het hof oordeelde dat het inbrengen van aanvullende stukken later in de procedure niet verboden is, mits de wederpartij gelegenheid heeft gehad kennis te nemen en te reageren. De gemachtigde was niet verschenen bij de kantonrechter en kon daardoor geen kennis nemen van het aanvullend proces-verbaal, hetgeen voor rekening van de betrokkene komt. Het hof vond de verklaring van de ambtenaren voldoende om te concluderen dat de betrokkene terecht werd gesanctioneerd voor weigering medewerking. Het hof bevestigde het vonnis van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €250 voor weigering medewerking speekseltest en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.344.813/01
CJIB-nummer
: 255198888
Uitspraak d.d.
: 17 december 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank NoordHolland van 5 juni 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is G. Debije, kantoorhoudende te Windraak.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “niet meewerken onderzoek van speeksel en/of aanwijzingen in dit kader niet opvolgen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 4 januari 2023 om 22.00 uur op de N.G. Piersonstraat in Alkmaar met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan het verweer dat in administratief beroep geen zaakoverzicht is verstrekt. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat in de fase van beroep door de officier van justitie kennelijk aanvullend bewijsmateriaal waaronder een aanvullend proces-verbaal is ingebracht. Uit de stukken volgt niet dat deze door de officier van justitie op de zitting zijn overgelegd. De betrokkene is daarmee veroordeeld op basis van stukken waar hij geen inzage in heeft gehad. Dat is een evidente schending van artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verder voert de gemachtigde aan dat uit de hem ter beschikking staande stukken niet blijkt dat sprake is van enige noodzaak of aanleiding om een speekseltest bij de betrokkene af te nemen. Het zonder enige verdenking af willen nemen van een speekseltest is een evidente schending van de lichamelijke integriteit van de betrokkene. Ook stelt de gemachtigde dat het bewijs ‵rond′ moet zijn in de fase van bezwaar. De officier van justitie kan na de fase van het administratief beroep dan ook de gegevens van de beschikking niet meer aanvullen. Daarbij verwijst de gemachtigde naar een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 29 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:41). Tot slot verzoekt de gemachtigde om een proceskostenvergoeding. Daarbij verzoekt hij de cessie tussen cliënt en gemachtigde te honoreren en uit hij zijn zorgen over de Wet herwaardering proceskosten.
3. In artikel 11, vijfde lid, van de Wahv is geregeld op welke wijze in de procedure bij de kantonrechter van aanvullende stukken kennis kan worden genomen. Deze bepaling houdt onder meer in dat alle op een beroepschrift hebbende stukken worden neergelegd ter griffie van de rechtbank. Geen rechtsregel verbiedt echter dat vlak voor of nog ter zitting van de kantonrechter nieuwe stukken worden overgelegd. Van nieuwe stukken die vlak voor of tijdens de zitting worden overgelegd, kan ter zitting kennis worden genomen en op worden gereageerd. Als daarop niet adequaat kan worden gereageerd, kan om aanhouding van de behandeling van de zaak worden gevraagd.
4. Het hof stelt vast dat de gemachtigde, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting van de kantonrechter is verschenen. De gevolgen van de omstandigheid dat de gemachtigde daardoor geen kennis heeft kunnen nemen van het door de officier van justitie ingebrachte aanvullend proces-verbaal moeten daarmee voor rekening van de betrokkene komen. Dit brengt mee dat de grond van de gemachtigde dat in dit geval sprake is van schending van artikel 6 van Pro het EVRM niet slaagt.
5. Verder stelt het hof vast dat de officier van justitie de gemachtigde van de betrokkene bij brief van 8 augustus 2023 een afschrift van het zaakoverzicht van het CJIB heeft toegezonden. Uit het beroepschrift aan de kantonrechter leidt het hof verder af dat de gemachtigde dit afschrift ook heeft ontvangen. Daarnaast heeft de advocaat-generaal een kopie van het zaakoverzicht en het aanvullend proces-verbaal van de ambtenaar van 30 mei 2024 als bijlage bij het verweerschrift gevoegd, zodat het hof het er voor houdt dat de gemachtigde (inmiddels) kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van die stukken.
6. Voor wat betreft de stelling van de gemachtigde dat het bewijs ‵rond′ moet zijn in de fase van bezwaar, overweegt het hof dat uit de aangehaalde uitspraak niet volgt dat een bestuursorgaan in beroep geen nieuw bewijs kan inbrengen, maar dat daar grenzen aan worden gesteld met het oog op de goede procesorde. Zoals hierboven onder 3. al is aangegeven staat (in Wahv-zaken) geen rechtsregel in de weg aan het in een later stadium van het geding inbrengen van nadere stukken. Uitgangspunt daarbij is in elke stand van de procedure dat de wederpartij in de gelegenheid is (geweest) om kennis te nemen van de inhoud van die stukken en daar - indien gewenst - op te reageren. De gemachtigde heeft daartoe de gelegenheid gehad, zodat van strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde hier geen sprake is.
7. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, vroeg de bestuurder mee te werken aan een voorlopig onderzoek zijnde een speekseltest/drugstest. Ik hoorde verdachte weigeren tot medewerking. (…)
Verklaring betrokkene: Ik wil gewoon geen test afleggen. Ik heb er een trauma aan.”
9. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal van de ambtenaar van 30 mei 2024. Hierin verklaren de ambtenaren als volgt:
“Op woensdag 4 januari 2023, omstreeks 21.55 uur, waren wij, verbalisanten [naam1] en [naam2] , belast met de toezicht en naleving van de Wegenverkeerswet 1994, gekleed in uniform in een opvallend dienstvoertuig. Wij zagen een voertuig, een Volkswagen Polo voorzien van het kenteken [kenteken] , rijden over de dr. Schaepmankade te Alkmaar. Wij zagen dat het voertuig rechtsaf de P.G. van Tienhovenstraat in reed en vervolgens doorreed om terug de dr. Schaepmankade op te rijden in de richting van de N.G. Piersonstraat. Wij zagen dat het voertuig harder dan de toegestane snelheid reed. Wij konden op dat moment geen snelheid meten. Wij volgden het voertuig verder de N.G. Piersonstraat op. Wij hebben vervolgens het voertuig ter hoogte van de kruising Wiardi Beckmanstraat stilgehouden, middels een politiestoptransparant, op grond van artikel 160 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Ik, verbalisant [naam1] vroeg de bestuurder om zijn rij- en kentekenbewijs waarop deze werden overhandigd. De bestuurder bleek te zijn: [de betrokkene] ( [de betrokkene] ), geboren [in] 2001 te [woonplaats] . In de politiesystemen zagen wij, verbalisanten [naam1] en [naam2] , dat [de betrokkene] antecedenten had voor het overtreden van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet en bezit van drugs. Op basis van deze informatie hebben wij [de betrokkene] op grond van artikel 160 lid 5 Wegenverkeerswet Pro 1994 aan een voorlopig onderzoek onderworpen. Ik, verbalisant [naam1] vorderde [de betrokkene] vervolgens mee te werken aan een voorlopige ademtest. Ik, verbalisant [naam2] , nam bij [de betrokkene] een ademtest af. Ik zag dat de uitslag van de ademtest ‵P′ aangaf. Ik, verbalisant [naam1] , vorderde vervolgens [de betrokkene] mee te werken aan een speekseltest. Wij, verbalisanten [naam1] en [naam2] , hoorden [de betrokkene] zeggen dat hij weigerde om mee te werken aan een speekseltest. Ik, verbalisant [naam1] deelde aan [de betrokkene] mede dat hij een proces-verbaal zou krijgen voor het weigeren. Ik vorderde vervolgens [de betrokkene] mee te werken aan een psychomotorische test. Wij, verbalisanten [naam1] en [naam2] , hoorden [de betrokkene] zeggen dat hij deze ook weigerde. Ik, verbalisant [naam1] heb [de betrokkene] medegedeeld dat hij hier tevens proces-verbaal voor zou krijgen.”
10. Het hof ziet geen reden eraan te twijfelen dat de betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan het afnemen van een speekseltest. De enkele stelling van de gemachtigde dat er geen aanleiding bestond voor het afnemen van een dergelijke test, is daartoe onvoldoende. Naar het oordeel van het hof volgt uit de aanvullende verklaring van de ambtenaren voldoende wat die aanleiding is geweest. Zo hebben de ambtenaren waargenomen dat de betrokkene harder reed dan ter plaatse was toegestaan en heeft de betrokkene eerder artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 overtreden. Vastgesteld kan worden dat de gedraging is verricht.
11. Voor wat betreft de stelling van de gemachtigde dat de kantonrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan het verweer dat in administratief beroep geen zaakoverzicht is verstrekt, overweegt het hof dat deze grond in de procedure bij de kantonrechter niet naar voren is gebracht. Dit brengt mee dat de kantonrechter hier ook niet op hoefde te reageren. Van een motiveringsgebrek is geen sprake.
12. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding is er niet. De aangevoerde gronden met betrekking tot de proceskosten behoeven daarom geen bespreking.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.