In deze zaak vordert een ondernemer, handelend onder een eenmanszaak, een aanvullende vergoeding van bedrijfsschade van haar verzekeraar Achmea na twee waterschadevoorvallen in haar winkelpand in 2023. Achmea had reeds € 73.000,- uitgekeerd, maar de ondernemer stelde dat dit bedrag onvoldoende was en eiste € 96.725,-.
Het hof verwijst naar het vonnis van de voorzieningenrechter en stelt vast dat de ondernemer onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij recht heeft op een hoger bedrag. De polisvoorwaarden definiëren bedrijfsschade als de misgelopen brutowinst door omzet- of productieverlies, berekend over de periode die nodig is voor herstel en omzetherstel, met een maximale uitkeringsduur van 52 weken.
De discussie spitst zich toe op het referentiejaar voor omzet, het brutowinstpercentage en de herstelperiode. Het hof oordeelt dat Achmea terecht uitgaat van 2022 als referentiejaar en een brutowinstpercentage van 42%. De ondernemer heeft onvoldoende onderbouwd waarom 2019 als referentiejaar moet gelden of waarom de coronapandemie een uitzondering vormt. Ook de berekeningswijze van de ondernemer strookt niet met de polisvoorwaarden.
Ten slotte concludeert het hof dat de herstelperiode objectief moet worden bepaald en dat de ondernemer onvoldoende heeft aangetoond dat de omzet na heropening langdurig lager bleef door de schade. Het hoger beroep wordt afgewezen en de ondernemer wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.