De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland inzake wijziging van kinderalimentatie na ontbinding van het huwelijk van partijen in 2020. De man en vrouw zijn ouders van twee minderjarige kinderen met hoofdverblijfplaats bij de vrouw. De alimentatie was eerder vastgesteld en geïndexeerd, maar de man heeft een chronische burn-out waardoor zijn draagkracht is verminderd.
In eerste aanleg bepaalde de rechtbank een verlaagde alimentatie voor de man vanaf augustus 2023, met een opbouw tot 1 april 2024. De vrouw ging in hoger beroep vanwege de draagkracht van de man en eiste een hogere alimentatie vanaf 1 april 2024. De man kwam met een incidenteel hoger beroep en verzocht om een bijdrage van de vrouw aan hem.
Het hof oordeelde dat de man niet meer inkomen kan genereren dan zijn ZW-uitkering, vastgesteld op basis van arbeidsdeskundig advies en UWV-documenten. De draagkracht van de man is vastgesteld op €50 per maand. De alimentatie wordt daarom vanaf 1 april 2024 vastgesteld op €25 per kind per maand. De vrouw moet teveel ontvangen alimentatie vanaf die datum terugbetalen voor zover de man meer dan €83 per maand betaalde. De alimentatie wordt niet geïndexeerd in 2025 vanwege de minimale draagkracht.
De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd voor de periode tot 1 april 2024 en vernietigd voor het gedeelte daarna. Het hof verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst overige verzoeken af.