In deze civiele procedure staat een geschil tussen HDM N.V. en Addink Distributie B.V. centraal over de betaling van facturen uit 2019 en 2022. HDM stelde hoger beroep in tegen een vonnis van de rechtbank Gelderland, waarin zij deels in het ongelijk werd gesteld.
Het hof heeft in een tussenarrest geoordeeld dat het hoger beroep van HDM geen doel treft, terwijl het incidenteel hoger beroep van Addink grotendeels slaagt. De rechtbank had een bedrag van € 17.745 toegewezen aan HDM, maar dit wordt door het hof afgewezen. De vordering van Addink tot betaling van € 10.397,55 vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf 28 juni 2019 wordt toegewezen.
Daarnaast blijft de veroordeling van HDM tot betaling van onbetaalde facturen over 2022 ad € 36.672,44 in stand, inclusief de wettelijke handelsrente, omdat HDM heeft afgezien van bewijslevering. Het hof veroordeelt HDM ook tot betaling van proceskosten bij zowel de rechtbank als in hoger beroep, waarbij de kosten voor de laatste akte van Addink voor haar eigen rekening blijven.
Het arrest vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover het in conventie en reconventie is gewezen en doet opnieuw recht met betrekking tot de vorderingen en kostenveroordelingen.