Partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en zijn in 2022 gescheiden. De vrouw ontving een letselschade-uitkering van € 315.250,- na een verkeersongeval in 2014. De kern van het geschil is of en in hoeverre deze schadevergoeding verknocht is aan de vrouw en buiten de gemeenschap van goederen valt, en of zij een vergoedingsrecht op de gemeenschap toekomt.
De rechtbank kende de vrouw een vergoedingsrecht toe van € 20.000,-, maar wees de rest van haar vordering af. Het hof vernietigt dit vonnis voor zover het de vergoedingsrechten betreft en wijst de vorderingen van de vrouw geheel af. Het hof oordeelt dat slechts € 20.000,- van de schadevergoeding op de peildatum nog als verknocht en buiten de gemeenschap identificeerbaar is. De rest is niet voldoende onderbouwd als verknocht aanwezig of is consumptief besteed.
Verder stelt het hof dat de besteding van verknochte gelden anders is dan die van geclausuleerde geërfde of geschonken bedragen. Door besteding van verknochte gelden aan de gemeenschap verliezen deze hun verknochte status en ontstaat geen vergoedingsrecht. Ook het beroep op ongerechtvaardigde verrijking faalt omdat geen sprake is van verarming van de vrouw en verrijking van de gemeenschap zonder rechtvaardiging.
Het hof bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt en wijst het verzoek van de man tot veroordeling van de vrouw in proceskosten af vanwege de aard van de zaak.