Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Verzoekster, geboren in 2001, heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot vernietiging van de erkenning door haar biologische vader, welke is afgewezen. In hoger beroep betoogt zij dat de erkenning een ongerechtvaardigde inmenging vormt in haar privéleven en verwijst zij naar artikel 8 EVRM Pro. Zij ervaart psychische problemen en een negatieve invloed van de erkenning op haar welzijn.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 1:205 BW Pro vernietiging van erkenning alleen mogelijk is indien de erkenner niet de biologische vader is, wat hier niet het geval is. De wettelijke regeling is een gerechtvaardigde inmenging in het recht op respect voor privéleven, ter bescherming van de rechten van de biologische vader en de familierechtelijke betrekking.
Het hof weegt het belang van verzoekster af tegen dat van haar vader en constateert dat de familierechtelijke betrekking sinds haar geboorte bestaat en dat de vader altijd haar biologische vader zal blijven. Hoewel het contact tussen vader en verzoekster is verbroken, is dit niet voldoende reden om de erkenning te vernietigen.
Het hof wijst het bewijsaanbod van verzoekster af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 24 juli 2024. De erkenning blijft gehandhaafd, ondanks de emotionele en psychische last die verzoekster ervaart.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de erkenning door de biologische vader blijft gehandhaafd.