De moeder en vader zijn gezamenlijk gezagdragers over hun minderjarige kind, waarbij de rechtbank eerder een voorlopige zorgregeling en kinderalimentatie had vastgesteld. De moeder stelde in hoger beroep dat de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 2020 moest worden vastgesteld, terwijl de vader dit betwistte en tevens bezwaar maakte tegen de zorgregeling.
Tijdens de mondelinge behandeling bereikten de ouders overeenstemming over een zorgregeling waarbij het kind eenmaal per veertien dagen van vrijdag na school tot maandagochtend bij de vader verblijft, met een zorgkorting van 25% op de alimentatie. Het hof beoordeelde vervolgens de ingangsdatum van de alimentatie en stelde vast dat deze op 1 januari 2022 moet ingaan, omdat de draagkracht van de vader op basis van financiële gegevens uit 2022 is vastgesteld.
De vader had aanvullende bedragen betaald ten behoeve van het kind, maar het hof oordeelde dat deze betalingen niet verrekend kunnen worden met de achterstallige alimentatie wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag. Het hof vernietigde de bestreden beschikking en stelde de zorgregeling en alimentatie definitief vast, inclusief een betalingsverplichting van € 3.915 aan achterstallige alimentatie.