Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellant],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellant, die een eenmanszaak exploiteerde en daarnaast in loondienst was, verzocht toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling nadat een faillissementsrekest was ingediend. De rechtbank wees dit verzoek af wegens onvoldoende inzicht in inkomsten en uitgaven, selectieve betalingen aan schuldeisers en een vermeend buitensporig uitgavepatroon.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn financiële problemen het gevolg waren van de coronapandemie en stijgende energieprijzen, dat hij saneringsgezind was en geen buitensporige uitgaven deed. Het hof oordeelde dat het doen van selectieve betalingen niet automatisch tot het oordeel leidt dat appellant niet te goeder trouw is, tenzij bijkomende omstandigheden aanwezig zijn, die hier ontbraken.
Het hof stelde vast dat appellant voldoende inzicht had gegeven in zijn financiële situatie, dat hij betalingen aan meerdere schuldeisers deed en zijn onderneming inmiddels had gestaakt. Gelet hierop was appellant te goeder trouw en kon hij de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling nakomen. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde de schuldsaneringsregeling van toepassing.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing op appellant.