De ouders van een minderjarige, geboren in 2022, zijn in hoger beroep gegaan tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing door de kinderrechter. De minderjarige verblijft sinds januari 2024 in een pleeggezin en is in februari 2025 overgeplaatst naar een ander pleeggezin. De ouders voeren aan dat de hulpverlening tekortschiet, zij zelf stappen hebben gezet en dat de gronden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet meer aanwezig zijn.
De gecertificeerde instelling (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming stellen dat er nog steeds ernstige zorgen zijn over de opvoedcapaciteiten van de ouders en de veiligheid van de minderjarige. De omgangsmomenten zijn beperkt en het persoonlijkheidsonderzoek naar de moeder is noodzakelijk. Het hof oordeelt dat de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing op goede gronden is gebaseerd en wijst de verzoeken van de ouders af.
Subsidiaire verzoeken zoals het uitbreiden van omgangsmomenten, het voorkomen van verdere overplaatsingen, het vervangen van de GI, en het benoemen van een bijzondere curator worden niet-ontvankelijk verklaard of afgewezen. Het hof benadrukt het belang van het lopende onderzoek binnen het Samen Sterk Vooruit-traject en het loslaten van wantrouwen tussen ouders en GI. De proceskostenveroordeling wordt eveneens afgewezen omdat dit in een andere procedure thuishoort.