De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar drie kinderen en tegen de plaatsing van twee van hen in een jeugdzorginstelling. De rechtbank had de uithuisplaatsing verlengd tot april 2018, waarbij de kinderen deels bij een pleegmoeder en deels in een instelling verbleven. De moeder betwistte de noodzaak van de verlenging en stelde dat de oorspronkelijke gronden, zoals huisvesting en financiën, inmiddels waren weggenomen. Zij benadrukte haar medewerking aan hulpverlening en het ontbreken van gedragsproblemen bij de kinderen.
De gecertificeerde instelling (GI) stelde dat gedragsproblemen en de onmogelijkheid van de pleegmoeder om zorg te bieden de plaatsing rechtvaardigden. Ook wees zij op mislukte eerdere trajecten om terugplaatsing te realiseren. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde bekrachtiging van de bestreden beschikkingen, omdat het observatietraject bij de jeugdzorginstelling nog niet was afgerond en onvoldoende duidelijkheid bestond over terugplaatsing.
Het hof constateerde dat onvoldoende is komen vast te staan dat de kinderen ernstig worden bedreigd in hun ontwikkeling bij de moeder en dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is. Het hof erkende de legitieme redenen waarom eerdere hulptrajecten niet konden worden voortgezet en achtte het in het belang van de kinderen dat het observatietraject wordt afgerond en mogelijk uitgebreid. Daarom besloot het hof de zaak aan te houden voor twee maanden om nadere onderzoeken mogelijk te maken.