De zaak betreft hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Overijssel waarin verdachte werd veroordeeld voor het niet op deugdelijke wijze onderhouden van een rijksmonument in de periode van 2012 tot 2018. Het hof oordeelt dat het passief verwaarlozen van een rijksmonument pas vanaf 1 juli 2016 strafbaar is gesteld in artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988. Voor die datum was het niet strafbaar om noodzakelijk onderhoud te onthouden.
Daarnaast stelt het hof vast dat het pand aan de betreffende locatie al vanaf het begin van de tenlastegelegde periode in zo'n slechte staat verkeerde dat sober en doelmatig onderhoud niet meer mogelijk was om het monument in stand te houden. Dit wordt onderbouwd met een rapport van Tn’A uit 2013 en het besluit van de gemeenteraad in 2015 om geen verdere acties te ondernemen vanwege de slechte staat.
Het hof concludeert dat het nalaten van onderhoud geen actieve gedraging is en daarom niet valt onder het strafbare feit van artikel 2.1 van de Wabo. Ook het onthouden van onderhoud dat noodzakelijk is voor instandhouding kan niet bewezen worden in de periode vanaf 1 juli 2016. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van beide feiten.
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en spreekt verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten. De overige verweren behoeven geen bespreking meer vanwege deze beslissing.