Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster, verder te noemen: de moeder,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder en vader zijn gezamenlijk gezagsdragers over twee minderjarige kinderen. Na hun echtscheiding is het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader vastgesteld, met een zorgregeling die vakanties en verblijfsperiodes regelt. De moeder woont in Zwitserland, de vader in Nederland.
De moeder verzocht het hof om een voorlopige voorziening die haar jaarlijks tien weken zorg tijdens schoolvakanties toekent, inclusief toestemming om met de kinderen naar Zwitserland te reizen. Tevens verzocht zij om benoeming van een bijzondere curator met gedragswetenschappelijke achtergrond om de belangen van de kinderen te behartigen.
Het hof oordeelde dat de moeder onvoldoende spoedeisend belang had bij de voorlopige voorziening, mede omdat de ouders reeds afspraken hadden gemaakt conform de bestaande zorgregeling en de hoofdzaak binnenkort wordt behandeld. De stelling van geestelijke mishandeling door de vader was onvoldoende onderbouwd.
Ook het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator werd afgewezen, omdat niet was aangetoond dat de belangen van de ouders in strijd waren met die van de kinderen en de moeder onvoldoende de noodzaak had onderbouwd. De moeder wilde een onderzoek naar de vader met mogelijke strafrechtelijke vervolging, maar dit valt niet binnen de taak van een bijzondere curator.
De beschikking van het hof bevestigt daarmee de eerdere besluiten van de rechtbank en wijst de verzoeken van de moeder af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot voorlopige voorziening en benoeming van een bijzondere curator af.