De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een onroerende zaak vast voor het jaar 2022. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking, waarna de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde. Belanghebbende stelde hoger beroep in, maar dit werd door het hof niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn. Belanghebbende tekende daarop verzet aan, stellende dat het beroepschrift tijdig was ingediend op de laatste dag van de termijn.
Het hof beoordeelde dat de termijn voor het indienen van hoger beroep zes weken bedraagt, startend de dag na verzending van de uitspraak van de rechtbank. Omdat de termijn eindigde op Tweede Pinksterdag, een erkende feestdag, werd de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag, waarop het beroepschrift ook werd ontvangen. Hierdoor was het hoger beroep tijdig ingediend.
Het hof verklaarde het verzet gegrond, waardoor de eerdere niet-ontvankelijkverklaring vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende voor de behandeling van het verzet.