ECLI:NL:GHARL:2025:231

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 januari 2025
Publicatiedatum
20 januari 2025
Zaaknummer
Wahv 200.345.155/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 11 WahvArt. 13a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens overschrijding redelijke termijn bij vasthouden mobiel apparaat op fiets

De betrokkene werd bij beschikking gesanctioneerd met een boete van €140,- wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het fietsen op 9 juni 2022 in 's-Gravenhage. De betrokkene ontkende de gedraging, maar dit werd niet aannemelijk geacht. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees matiging van de sanctie af, omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan de betrokkene werd toegerekend.

In hoger beroep stelde de gemachtigde dat de overschrijding niet aan de betrokkene te wijten was en verzocht om matiging van de sanctie met 25%. Het hof constateerde dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, maar dat deze overschrijding niet in overwegende mate aan de betrokkene of zijn gemachtigde kon worden toegerekend. Het hof matigde daarom het sanctiebedrag met 25%.

Daarnaast veroordeelde het hof de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van €907,-. De beslissing van de kantonrechter werd vernietigd en het beroep van de betrokkene werd gegrond verklaard. Het sanctiebedrag werd verlaagd naar €105,-. Tevens werd bepaald dat teveel gestelde zekerheid wordt gerestitueerd.

Uitkomst: Sanctie wegens vasthouden mobiel apparaat op fiets gematigd naar €105,- wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.345.155/01
CJIB-nummer
: 250129085
Uitspraak d.d.
: 20 januari 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 8 augustus 2024, betreffende
[de betrokkene](hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor:
“als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 9 juni 2022 om 21.07 uur op de Gedempte Gracht in 's-Gravenhage met een fiets.
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat de betrokkene de gedraging ontkent.
3. Deze enkele ontkenning vormt geen reden tot twijfel aan de gegevens in het dossier op basis waarvan de gedraging kan worden vastgesteld. Deze grond treft geen doel.
4. De gemachtigde van de betrokkene voert verder aan dat, anders dan de kantonrechter overweegt, de overschrijding van de redelijke termijn van berechting niet aan de betrokkene te wijten is. Om die reden verzoekt de gemachtigde het bedrag van de sanctie alsnog met 25 procent te matigen.
5. De kantonrechter heeft overwogen dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden, maar er geen reden is tot matiging van het sanctiebedrag. De lange duur van de procedure is namelijk aan de betrokkene toe te rekenen, nu een machtiging ontbrak.
6. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is aangevangen toen de betrokkene op 9 juni 2022 is staande gehouden. De termijn van berechting is geëindigd met de beslissing van de kantonrechter van 8 augustus 2024. Verder stelt het hof vast dat de gemachtigde op 15 februari 2023 een beroepschrift heeft ingediend tegen de beslissing van de officier van justitie. In dit beroepschrift verzoekt de gemachtigde onder meer om toezending van alle op de zaak betrekking hebbende stukken en ook een nadere termijn voor het aanleveren van de aanvullende gronden. Het dossier bevat verder twee aan de gemachtigde gerichte brieven van 15 april 2024 van de griffier van de rechtbank. In de eerste brief wordt de gemachtigde erop geattendeerd dat een deugdelijke machtiging ontbreekt en is hem de gelegenheid geboden dit verzuim uiterlijk 14 mei 2024 te herstellen. Bij de tweede brief is een afschrift van het procesdossier gevoegd en is de gemachtigde de gelegenheid geboden om uiterlijk 14 mei 2024 de gronden van beroep aan te vullen. De gemachtigde heeft bij brief van 29 april 2024 zowel de aanvullende gronden ingediend als een machtiging ingebracht. De griffier van de rechtbank heeft de gemachtigde bij brief van 21 juni 2024 opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter op 25 juli 2024. Vervolgens heeft de gemachtigde bij brief van 1 juli 2024 de beroepsgronden verder aangevuld.
7. Het overweegt dat de termijn van berechting langer kan zijn als de duur van de procedure in overwegende mate aan de betrokkene of zijn gemachtigde is toe te rekenen (zie het arrest van dit hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369). De kantonrechter moet evenwel ook de voortgang van de procedure bewaken en toezien op een redelijke termijn van berechting. In dit geval valt niet in te zien waarom het beroep - nadat de gemachtigde op 29 april 2024 een machtiging had ingebracht - niet eerder dan ter zitting van 25 juli 2024 kon worden behandeld en de kantonrechter niet binnen de in het algemeen als redelijk te beschouwen termijn van berechting van twee jaren op het beroep had kunnen beslissen. De langere duur van de onderhavige procedure is niet in overwegende aan de gemachtigde toe te rekenen (vgl. het arrest van het hof van 27 mei 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:3537). Het hof stelt dan ook vast (gelijk ook de kantonrechter heeft gedaan) dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in eerste aanleg is overschreden. Dit brengt, gelet op het arrest van het hof van 28 juli 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:6369), mee dat het bedrag van de sanctie moet worden gematigd met 25%. De beslissing van de kantonrechter kan daarom niet in stand blijven. Gelet hierop zal het hof doen wat de kantonrechter had behoren te doen.
8. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking (vgl. ov. 26 van bovengenoemd arrest van dit hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift dienen in totaal 2 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof past op de in hoger beroep verrichte proceshandeling niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe, omdat het hof deze bepaling buiten toepassing laat (vgl. de arresten van het hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769). Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 907,- (= 2 x € 907,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking, in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 105,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 907,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.